God loven na de maaltijd – een Bijbelse benadering van dankbaarheid en liturgie.
"Ik zal de HEERE te allen tijde loven; Zijn lof zal voortdurend in mijn mond zijn."
— Psalm 34:2
Inleiding
De vraag wanneer God voor het voedsel behoort te worden gedankt, is van groot belang. In de geschreven Thora wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de gewone dagelijkse maaltijd en de liturgische vieringen die God Zelf heeft ingesteld, zoals de Sabbat, de Nieuwe Maan en de jaarlijkse feestdagen.
Wanneer men dit onderscheid uit het oog verliest, ontstaat gemakkelijk de gedachte dat een gewone maaltijd eerst ritueel moet worden "toegestaan" door een voorafgaande zegen. De Thora leert echter iets anders. God heeft de mens reeds vanaf het begin toestemming gegeven om te eten van hetgeen Hij geschapen heeft. De lofprijzing volgt daarom niet vóór de maaltijd als voorwaarde om te mogen eten, maar ná de maaltijd, wanneer de mens Gods goedheid heeft ervaren en verzadigd is.
Gods toestemming is reeds gegeven.
In Genesis gaf God de mens voedsel:
"Zie, Ik geef u al het zaaddragende gewas... en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; het zal u tot voedsel zijn."
(Genesis 1:29)
Na de vloed wordt deze toestemming uitgebreid:
"Alles wat zich roert en leeft, zal u tot voedsel zijn."
(Genesis 9:3)
Deze toestemming is een goddelijke gave. Zij is niet afhankelijk van een menselijke handeling. God heeft Zelf bepaald wat tot voedsel dient. De mens hoeft daarom niet eerst door een rituele formule toestemming te verkrijgen om te eten wat God reeds heeft geschonken.
Het gebod van de Thora
De enige expliciete opdracht die de Thora geeft met betrekking tot dankzegging na een gewone maaltijd staat in Deuteronomium:
"Wanneer u gegeten hebt en verzadigd bent, dan zult u de HEERE, uw God, loven om het goede land dat Hij u gegeven heeft."
(Deuteronomium 8:10)
De volgorde is opmerkelijk:
eten;
verzadigd worden;
God loven.
Dit is het enige algemene gebod dat de Thora geeft voor de dagelijkse maaltijd.
De dankzegging is daarom geen toestemming om te mogen eten, maar een antwoord van de mens op Gods reeds bewezen goedheid.
Alles wat God geschapen heeft is goed.
Vanaf de schepping verklaarde God Zijn werken goed.
Voedsel is daarom geen neutrale of ongewijde zaak die eerst door een menselijke zegen geheiligd moet worden. Het is reeds een gave van de Schepper.
De mens ontvangt deze gave in vertrouwen en antwoordt daarna met dankbaarheid.
Zoals een kind niet eerst toestemming hoeft te vragen om het brood te eten dat zijn vader hem gegeven heeft, zo behoeft de mens geen nieuwe toestemming voor hetgeen God reeds heeft verleend.
De gewone maaltijd is geen offermaaltijd.
De Thora maakt onderscheid tussen:
de dagelijkse maaltijd;
offermaaltijden;
priesterlijke maaltijden.
Een maaltijd in huis is geen dienst in het heiligdom.
Daarom zijn de rituele voorschriften die verbonden zijn aan de tempeldienst niet van toepassing op het dagelijkse eten van brood en drinken van wijn.
De dagelijkse maaltijd blijft een gewone maaltijd, al wordt zij met dankbaarheid genoten.
De bijzondere betekenis van de Sabbat
De Sabbat is anders dan een gewone werkdag.
Niet omdat het voedsel anders is, maar omdat de dag door God is geheiligd.
"God zegende de zevende dag en heiligde die."
(Genesis 2:3)
Wanneer aan het begin van de Sabbat de beker wordt geheven, ligt de nadruk niet op de wijn zelf, maar op God die de Sabbat heeft gemaakt, gezegend en geheiligd.
De beker is daarom een liturgische lofprijzing aan de Schepper vanwege Zijn heilige dag.
Een passende Psalm hierbij is:
Psalm 92
"Een psalm. Een lied voor de sabbatdag."
Deze Psalm bezingt Gods werken, Zijn trouw en Zijn rust en vormt daarom een natuurlijke begeleiding van de Sabbatviering.
Na de Sabbatmaaltijd wordt God vervolgens geprezen voor Zijn overvloed en goedheid, overeenkomstig Deuteronomium 8:10.
De Nieuwe Maan.
Ook de Nieuwe Maan is geen gewone dag.
De maan werd door God gegeven:
"Tot het bepalen van vaste tijden."
(Genesis 1:14)
Bij het begin van de maand wordt daarom niet de vrucht van de wijnstok verheerlijkt, maar God die de tijden en seizoenen heeft ingesteld.
Een passende Psalm is:
Psalm 104
Deze Psalm bezingt de gehele schepping en zegt:
"Hij heeft de maan gemaakt voor de vaste tijden."
Na de maaltijd volgt opnieuw de dankzegging aan God voor Zijn gaven.
Pesach: liturgie én offermaaltijd.
Pesach neemt een bijzondere plaats in onder de door God ingestelde feesten.
De Pesachmaaltijd is niet slechts een liturgische maaltijd, maar tevens een offermaaltijd. Het Pesachlam werd als offer geslacht en vervolgens gegeten overeenkomstig Gods voorschriften (Exodus 12; Deuteronomium 16).
De viering kent daardoor een duidelijke opbouw.
Tijdens Pesach staat de beker geheel in het teken van Gods verlossing.
Niet de wijn staat centraal, maar Gods machtige daden.
De maaltijd is een gedachtenis aan de uittocht uit Egypte.
Een passende begeleidende lofzang is:
Psalm 113
Psalm 114
Deze Psalmen behoren tot het Hallel en bezingen de uittocht uit Egypte en Gods bevrijdende macht.
Na de maaltijd worden vervolgens de resterende Hallel-psalmen gezongen:
Psalm 115
Psalm 116
Psalm 117
Psalm 118
Daarmee wordt God geprezen voor Zijn eeuwige goedertierenheid en Zijn verlossing.
De rode draad.
Steeds zien wij hetzelfde patroon:
God stelt iets in.
De mens ontvangt Gods gave.
Daarna antwoordt de mens met lof en dank.
Dat patroon loopt door de gehele Schrift.
God schept.
God geeft.
God verlost.
God heiligt.
De mens antwoordt vervolgens met lofprijzing.
Slot.
De geschreven Thora leert dat God Zelf de mens toestemming heeft gegeven om te eten van hetgeen Hij tot voedsel heeft geschapen. Daarom is een voorafgaande rituele toestemming geen voorwaarde om rechtmatig van Gods gaven gebruik te maken.
Wel gebiedt de Thora de mens om, nadat hij gegeten en verzadigd is, de HEERE te loven voor Zijn goedheid.
Op de Sabbat en de Nieuwe Maan krijgt de lofprijzing een bijzonder liturgisch karakter. Niet omdat de maaltijden op Sabbat en Nieuwe Maan Dag heilig zijn, maar omdat de dag of de gebeurtenis die herdacht wordt door God Zelf is geheiligd of ingesteld.
Zo blijft alle eer bij de Schepper, Die eerst geeft, en daarna door Zijn volk met dankbaarheid wordt geprezen.
"Loof de HEERE, mijn ziel, en vergeet niet één van Zijn weldaden."
— Psalm 103:2