De Ger (גר) in de Thora

Een exegetische en juridische woordstudie

Inleiding.

Weinig woorden in de Thora hebben zoveel invloed gehad op de uitleg van het verbondsrecht als het Hebreeuwse woord גר (ger). Vrijwel iedere Bijbelvertaling vertaalt dit woord met "vreemdeling", "bijwoner", "ingezetene" of "gast". Daardoor ontstaat gemakkelijk de indruk dat het steeds om dezelfde juridische persoon gaat.

Bij nauwkeurige bestudering blijkt echter dat de Thora het woord ger gebruikt in uiteenlopende juridische contexten. Soms wordt de ger vrijwel volledig gelijkgesteld aan de geboren Israëliet, terwijl hij elders een duidelijk onderscheiden rechtspositie lijkt te hebben.

De centrale vraag van dit hoofdstuk luidt daarom: 

Duidt het woord ger in de gehele Thora steeds dezelfde juridische status aan, of wordt de rechtspositie bepaald door de context waarin het woord voorkomt?

Deze studie kiest bewust voor een inductieve methode. Dat betekent dat niet wordt uitgegaan van latere rabbijnse definities of moderne theologische systemen, maar uitsluitend van de gegevens van de geschreven Thora. Pas nadat alle relevante teksten zijn onderzocht, zal worden bezien in hoeverre de latere rabbijnse terminologie (ger toshav, ger tsedek) met deze gegevens overeenkomt.

1. Het woord ger

Het zelfstandig naamwoord גר (ger) is afgeleid van de Hebreeuwse wortel גור (gur).

Het werkwoord gur betekent:

  • verblijven;
  • als vreemdeling wonen;
  • zich tijdelijk of blijvend vestigen buiten het eigen land.

Het beschrijft iemand die zich bevindt onder een volk waartoe hij oorspronkelijk niet behoort.

Daarmee zegt het woord op zichzelf nog niets over:

  • zijn religieuze status;
  • zijn burgerrechten;
  • zijn verbondsstatus.

Het beschrijft in de eerste plaats zijn verblijfspositie.

Dit is een belangrijk uitgangspunt. Het woord ger is in zijn basale betekenis geen technische aanduiding van een vaste juridische categorie, maar een beschrijving van iemands positie als inwonende vreemdeling.

2. De eerste vermelding van de Ger

De eerste keer dat de wortel gur voorkomt, is in Genesis.

Abraham zegt:

"Ik ben een vreemdeling (ger) en bijwoner onder u." (Genesis 23:4)

Hier bezit Abraham reeds Gods beloften.

Hij is reeds besneden.

Hij leeft reeds in het verbond.

Toch noemt hij zichzelf een ger.

Dat laat zien dat het woord niet automatisch iets zegt over iemands verbondsstatus.

Abraham is immers juist de drager van het Verbond.

Het woord beschrijft hier uitsluitend zijn maatschappelijke positie ten opzichte van de Hethieten.

Hieruit volgt een eerste belangrijke conclusie.

Conclusie 1

Het woord ger betekent oorspronkelijk:

een persoon die woont onder een volk waartoe hij oorspronkelijk niet behoort.

Nog niets meer.

Nog niets minder.

3. Israël zelf was Ger

God gebruikt hetzelfde woord voor Israël.

Exodus 22:21 zegt:

"U mag een ger niet onderdrukken, want u bent zelf ger geweest in Egypte."

Ook hier valt iets op.

Israël was in Egypte:

  • geen Egyptisch volk;
  • geen Egyptische burgers;
  • wel permanente bewoners.

Ook hier beschrijft ger de maatschappelijke positie.

Niet de religieuze.

4. De Ger in de wetgeving

Wanneer de Thora haar burgerlijk recht begint te formuleren, verschijnt de ger opnieuw.

De wet bepaalt onder andere dat hij:

  • niet mag worden onderdrukt;
  • eerlijk recht moet ontvangen;
  • in de nalezing mag delen;
  • op de sabbat moet rusten.

Dit roept onmiddellijk een belangrijke vraag op.

Waarom worden deze rechten afzonderlijk genoemd?

Kennelijk bezit de ger niet automatisch dezelfde positie als de geboren Israëliet.

Anders zouden afzonderlijke beschermingswetten overbodig zijn.

5. Exodus 12: het beslissende keerpunt

Exodus 12 vormt het eerste grote juridische omslagpunt.

De Schrift bepaalt:

"Wanneer een ger bij u verblijft en het Pesach voor de HEER wil vieren, moet al wat mannelijk is bij hem besneden worden."

Daarna volgt onmiddellijk:

"Dan zal hij zijn als een geboren Israëliet."

En vervolgens:

"Eén wet zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de ger."

Deze drie uitspraken vormen samen één juridische eenheid.

Zij leren:

  1. Niet iedere ger mag vanzelf Pesach vieren.
  2. Besnijdenis is een noodzakelijke voorwaarde.
  3. Daarna verandert zijn rechtspositie.
  4. Vanaf dat moment geldt hij als een geboren Israëliet.

Opvallend is dat de Schrift hier niet zegt dat de ger ophoudt een ger te zijn. De tekst blijft hem ger noemen, terwijl zijn rechtspositie is veranderd. Dat gegeven is van groot belang voor de verdere studie, omdat het laat zien dat dezelfde term in verschillende contexten kan voorkomen terwijl de daaraan verbonden rechten verschillen.

6. Een eerste juridische observatie

Wanneer Exodus 12 zorgvuldig wordt gelezen, ontstaat een belangrijk onderscheid.

Er bestaat:

  • een ger vóór de besnijdenis;
  • een ger ná de besnijdenis.

Dat onderscheid wordt niet benoemd met twee verschillende woorden.

Het blijkt uit de rechtsgevolgen.

Vóór de besnijdenis:

  • geen Pesach.

Na de besnijdenis:

  • als een geboren Israëliet.

Dit vormt de eerste aanwijzing dat het woord ger contextafhankelijk moet worden uitgelegd.

7. Methodologische uitgangspunten.

Voor het vervolg van deze studie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

1. De context bepaalt de juridische betekenis.

Hetzelfde woord kan verschillende rechtsgevolgen hebben.

2. Expliciete teksten hebben voorrang boven afgeleide conclusies.

Wanneer de Thora uitdrukkelijk een rechtsgevolg noemt, vormt dat het uitgangspunt.

3. De Thora legt de Thora uit.

Parallellen tussen Exodus, Leviticus en Numeri. 

4. Latere tradities worden pas daarna vergeleken.

De rabbijnse terminologie wordt niet als uitgangspunt genomen, maar pas beoordeeld nadat de gegevens van de geschreven Thora zijn verzameld.

Tussenconclusie

De eerste gegevens uit de Thora laten zien dat het woord גר (ger) in de eerste plaats een verblijfsstatus beschrijft: iemand die woont onder een volk waartoe hij oorspronkelijk niet behoort. Op zichzelf zegt het woord niets over de vraag of deze persoon volledig deel uitmaakt van het verbond.

Exodus 12 voegt daaraan een beslissende juridische dimensie toe. De ger die door besnijdenis tot het verbond toetreedt en het Pesach viert, wordt "als een geboren Israëliet" beschouwd. Daarmee maakt de tekst duidelijk dat aan dezelfde term ger verschillende rechtsgevolgen verbonden kunnen zijn, afhankelijk van de fase waarin deze persoon zich bevindt.

Deze observatie vormt het uitgangspunt voor de volgende hoofdstukken. Daar zal worden onderzocht of andere bepalingen van de Thora – met name Leviticus 17, Leviticus 25 en Deuteronomium 14 – deze tweedeling bevestigen of dat een andere verklaring noodzakelijk is.

Hoofdstuk 2

De Ger in de wetgeving van Mozes

Een systematisch overzicht van de rechten en plichten van de Ger

Inleiding

In het vorige hoofdstuk is vastgesteld dat het Hebreeuwse woord גר (ger) oorspronkelijk een verblijfsstatus aanduidt: iemand die woont onder een volk waartoe hij oorspronkelijk niet behoort. Tevens bleek uit Exodus 12 dat de rechtspositie van een ger kan veranderen wanneer hij door de besnijdenis tot het verbond toetreedt.

Voordat kan worden vastgesteld welke juridische categorieën de Thora onderscheidt, moeten eerst alle relevante wetsbepalingen worden onderzocht. Dit hoofdstuk beoogt daarom nog geen definitieve conclusies te trekken. Het verzamelt de gegevens die later met elkaar zullen worden vergeleken.

1. Bescherming van de Ger

Een van de eerste kenmerken van de ger is dat hij onder Gods bijzondere bescherming staat.

De Thora verbiedt herhaaldelijk:

  • onderdrukking;
  • uitbuiting;
  • onrechtvaardige rechtspraak.

De reden daarvoor is steeds dezelfde:

"Want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte."

Hieruit blijkt dat de ger niet buiten de rechtsorde van Israël staat. Integendeel, hij valt onder de bescherming van het verbondsrecht.

2. De Ger en de Sabbat

Exodus 20:10 bepaalt:

"U zult geen enkel werk doen, u, uw zoon, uw dochter, uw slaaf, uw slavin, uw vee en de ger die binnen uw poorten is."

Ook Exodus 23:12 noemt de ger opnieuw.

Opvallend is dat de Sabbatrust niet wordt voorgesteld als een vrijwillig voorrecht, maar als een wettelijke verplichting.

Daaruit volgt dat de ger onder de openbare rustwet van Israël valt.

De tekst zegt echter niet dat de ger daardoor reeds volledig tot het verbond behoort.

Hij deelt wel in de rust die God aan Zijn land geeft.

3. De Ger en de rechtspraak

De Thora verlangt dat rechters dezelfde rechtvaardigheid toepassen op zowel Israëliet als ger.

Recht mag niet worden verdraaid vanwege afkomst.

De ger bezit daarom toegang tot het recht.

Hij is geen rechteloze vreemdeling.

Hij staat onder de bescherming van de rechterlijke macht van Israël.

4. De Ger en de armenwetten

Bij de oogst moeten:

  • de hoeken van het veld;
  • de nalezing;
  • de vergeten schoven;

worden achtergelaten voor:

  • de arme;
  • de weduwe;
  • de wees;
  • de ger.

Hieruit blijkt dat de ger deel uitmaakt van de sociale zorgstructuur van Israël.

Hij wordt niet beschouwd als een toevallige passant, maar als iemand die duurzaam binnen de gemeenschap leeft.

5. De Ger en de offers

Leviticus bepaalt dat de ger in verschillende gevallen offers mag brengen.

Wanneer hij een offer aan de HEER brengt, gelden daarvoor dezelfde voorschriften als voor de Israëliet.

Hier ontstaat een eerste belangrijke observatie.

De ger bezit kennelijk toegang tot de eredienst.

Toch betekent dit nog niet automatisch dat iedere ger reeds volledig tot het Verbond behoort.

Immers, Exodus 12 stelt voor de viering van het Pesach nog een aanvullende voorwaarde.

6. De Ger en de reinheidswetten

Leviticus breidt de verantwoordelijkheid van de ger aanzienlijk uit.

Hij moet zich houden aan bepalingen betreffende:

  • bloed;
  • afgoderij;
  • seksuele heiligheid;
  • bepaalde reinheidswetten.

De ger leeft dus niet buiten Gods heilige orde.

Zijn verblijf in Israël brengt verplichtingen met zich mee.

7. De Ger en de vrijsteden

Numeri bepaalt dat de vrijsteden openstaan voor:

  • de Israëliet;
  • de ger;
  • de inwonende vreemdeling.

Dit bevestigt opnieuw dat de ger onder het strafrecht van Mozes valt.

Hij bezit juridische bescherming tegen eigenrichting.

8. De Ger en het Pesach

Exodus 12 vormt een afzonderlijke categorie.

Hier verschijnt voor het eerst een voorwaarde.

Niet iedere ger mag deelnemen.

Eerst moet:

  • iedere man worden besneden.

Daarna volgt:

"Dan zal hij zijn als een geboren Israëliet."

Deze formulering is uniek binnen de gehele Thora.

Zij beschrijft niet slechts een verplichting, maar een verandering van rechtspositie.

9. De Ger en de voedselwetten

Hier ontstaat een opvallend spanningsveld.

Leviticus legt verschillende voedselwetten eveneens aan de ger op.

Toch bepaalt Deuteronomium 14:21:

"Aan de ger die binnen uw poorten is, mag u het geven."

Deze tekst zal later uitvoerig worden onderzocht.

Voorlopig wordt slechts vastgesteld dat zij op het eerste gezicht afwijkt van Exodus 12 en verschillende bepalingen uit Leviticus.

10. De Ger en de tienden

Ook bij de verdeling van de tienden wordt de ger genoemd.

Hij deelt samen met:

  • de Leviet;
  • de wees;
  • de weduwe;

in Gods zorg.

Hieruit blijkt opnieuw zijn vaste plaats binnen de samenleving van Israël.

11. De Ger en de vreugde voor het aangezicht van de HEER

Bij verschillende feestelijke bijeenkomsten wordt de ger uitdrukkelijk genoemd.

Hij mag zich verheugen voor het aangezicht van de HEER samen met:

  • Israëlieten;
  • Levieten;
  • weduwen;
  • wezen.

Deze bepalingen tonen dat de ger niet maatschappelijk geïsoleerd leeft.

Hij neemt deel aan het openbare religieuze leven van Israël.

12. De Ger en de vloek van het Verbond

Deuteronomium maakt duidelijk dat ook de ger onder de verbondsvloeken valt wanneer hij de wet overtreedt.

Daarmee wordt bevestigd dat hij niet buiten Gods rechtsorde staat.

Zijn verblijf onder Israël brengt ook verantwoordelijkheid met zich

Observaties

Tot nu toe vallen enkele zaken op.

1.

De ger leeft volledig binnen Israëls rechtsorde.

Hij is geen buitenlandse passant.

2.

De ger bezit veel burgerlijke rechten.

Hij ontvangt bescherming.

Hij heeft toegang tot de rechter.

Hij deelt in de armenzorg.

3.

Toch kent de Thora enkele bepalingen die erop wijzen dat niet iedere ger automatisch dezelfde rechtspositie bezit als de geboren Israëliet.

Vooral:

  • Pesach.
  • Besnijdenis.
  • Deuteronomium 14.

vragen om nadere verklaring.

4.

Op dit punt van de studie is het nog te vroeg om te concluderen dat de Thora twee afzonderlijke categorieën van ger onderscheidt. Wel blijkt dat de rechtsgevolgen niet in alle passages identiek zijn. Dat gegeven vraagt om een systematische verklaring.

Tussenconclusie.

De wetsverzameling van Mozes schildert de ger als een persoon die volledig onder Israëls burgerlijke rechtsorde leeft. Hij geniet bescherming, neemt deel aan de sociale voorzieningen, valt onder de rechtspraak, deelt in de sabbatrust en wordt betrokken bij het openbare religieuze leven.

Tegelijk laten enkele bepalingen zien dat de rechtspositie van de ger niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan die van de geboren Israëliet. Vooral de voorschriften inzake het Pesach en de voedselwetten vragen om een nadere juridische analyse.

Het volgende hoofdstuk zal daarom niet uitgaan van een vooraf aangenomen onderscheid tussen een ger toshav en een ger tsedek, maar onderzoeken of de teksten zelf aanleiding geven om verschillende rechtsposities van de ger te onderscheiden. Daarbij zal Leviticus 25 een centrale plaats innemen, omdat juist daar de termen ger en toshav in hun economische en burgerrechtelijke context samen voorkomen.

Hoofdstuk 3

Het Verbond als grondslag van de rechtspositie van de Ger

Besnijdenis, Pesach en de offerdienst als juridische toegang tot het Mozaische Verbond

Inleiding.

In de voorgaande hoofdstukken is vastgesteld dat de Thora aan de ger een belangrijke plaats binnen de Israëlitische samenleving toekent. Hij geniet rechtsbescherming, deelt in de sociale voorzieningen, rust op de sabbat en valt onder de rechtsorde van Mozes. Tegelijk blijkt uit verschillende wetsbepalingen dat niet iedere ger automatisch dezelfde rechtspositie bezit als een geboren Israëliet.

De vraag die nu moet worden beantwoord is:

Waardoor wordt de volledige rechtspositie van een Israëliet bepaald?

Is deze uitsluitend afhankelijk van het wonen binnen Israëls grenzen?

Of wordt zij bepaald door de verbondsrelatie met de HEER?

De stelling van dit hoofdstuk luidt dat de volledige burgerlijke en religieuze rechtspositie binnen Israël uiteindelijk wordt bepaald door de toetreding tot het Mozaische Verbond. De besnijdenis vormt daarvan het zichtbare verbondsteken, terwijl het Pesach en de offerdienst behoren tot het leven van de verbondsgemeenschap.

1. Het Verbond gaat vooraf aan de wet

De wet van Mozes staat niet op zichzelf.

Voordat Israël de wet ontvangt, sluit God eerst Zijn verbond met het volk.

Bij de Sinaï spreekt Israël:

"Alles wat de HEER gesproken heeft, zullen wij doen."

Daarop worden offers gebracht.

Mozes neemt het bloed van de offers en sprenkelt het over het volk.

Hij zegt:

"Zie, het bloed van het verbond dat de HEER met u gesloten heeft."

Hieruit blijkt dat het Mozaische Verbond niet uitsluitend uit wetsartikelen bestaat.

Het is een door bloed bekrachtigde verbondsrelatie tussen God en Zijn volk.

2. De plaats van de besnijdenis

De besnijdenis is ouder dan de Sinaï.

God gaf haar reeds aan Abraham als:

"het teken van het Verbond."

Iedere man die tot Gods verbondsvolk wil behoren, moet dit teken dragen.

Exodus 12 bevestigt dit beginsel.

Een ger die Pesach wil vieren, moet eerst worden besneden.

Pas daarna verklaart de Schrift:

"Hij zal zijn als een geboren Israëliet."

De besnijdenis is daarom niet slechts een lichamelijke handeling.

Zij markeert de juridische overgang naar volledige deelname aan het Verbond.

3. Pesach als verbondsmaaltijd

Het Pesach is meer dan een historische herdenking van de uittocht uit Egypte.

Het is de verbondsmaaltijd van het verloste volk.

Alleen wie tot het Verbond behoort, mag eraan deelnemen.

Daarom luidt de bepaling:

"Geen onbesnedene mag ervan eten."

De uitsluiting is niet gebaseerd op afkomst, maar op verbondsstatus.

Een geboren Israëliet die onbesneden zou zijn, verkeert eveneens buiten deze bepaling.

Omgekeerd kan een vreemdeling na de besnijdenis volledig deelnemen.

Hieruit blijkt dat de toegang tot het Pesach wordt bepaald door het Verbond en niet uitsluitend door geboorte.

4. "Als een geboren Israëliet"

Exodus 12 bevat één van de belangrijkste juridische uitspraken van de gehele Thora.

Na de besnijdenis zegt de Schrift:

"Dan zal hij zijn als een geboren Israëliet."

Daarmee wordt geen etnische verandering bedoeld.

De ger blijft een ger naar zijn afkomst.

Wat verandert, is zijn rechtspositie binnen het Verbond.

Vanaf dat moment geldt:

  • één wet;
  • één rechtsorde;
  • één Verbond.

Deze uitspraak vormt de sleutel voor de verdere uitleg van alle bepalingen betreffende de ger.

5. De offerdienst als verbondsdienst

Nadat het Verbond bij Sinaï met offers is bekrachtigd, wordt de tabernakel ingesteld als de plaats waar de gemeenschap met God wordt onderhouden.

De offers dienen onder meer:

  • tot verzoening;
  • tot dankzegging;
  • tot gemeenschap met God;
  • tot herstel van verbondsrelaties.

De offerdienst is daarom geen losstaand ritueel.

Zij behoort tot het leven van de verbondsgemeenschap.

Wanneer de Thora spreekt over het brengen van offers door een ger, moet daarom telkens worden onderzocht welke rechtspositie deze ger bezit. De tekst gebruikt immers dezelfde aanduiding (ger), terwijl uit Exodus 12 blijkt dat de juridische status van een ger kan veranderen door toetreding tot het Verbond.

6. De eenheid van het Verbond

De volgende elementen behoren onlosmakelijk bij elkaar:

  • de besnijdenis;
  • het Pesach;
  • de offerdienst;
  • de verbondswet.

Het zijn geen vier afzonderlijke instellingen.

Zij vormen samen het leven van Gods verbondsvolk.

Daarom kan de uitspraak:

"één wet zal gelden"

niet worden losgemaakt van de voorafgaande woorden:

"dan zal hij zijn als een geboren Israëliet."

De rechtsgelijkheid volgt uit de verbondstoetreding.

7. De betekenis voor de uitleg van de Ger

Dit heeft belangrijke gevolgen voor de uitleg van alle passages waarin de ger voorkomt.

Wanneer een tekst de ger dezelfde rechten en plichten geeft als de geboren Israëliet, moet worden onderzocht of de context veronderstelt dat deze ger reeds volledig tot het Verbond behoort.

Wanneer een andere tekst aan de ger rechten toekent die afwijken van die van een geboren Israëliet, moet worden nagegaan of de context spreekt over een ger die nog niet deze volledige verbondsstatus bezit.

Dit uitgangspunt voorkomt dat de verschillende wetsbepalingen met elkaar in strijd worden gebracht en biedt een kader waarin de afzonderlijke teksten in hun eigen context kunnen worden verstaan.

Tussenconclusie

De bestudering van Genesis 17, Exodus 12 en Exodus 24 laat zien dat het Mozaische Verbond niet uitsluitend uit wetsbepalingen bestaat, maar een door God ingestelde verbondsorde vormt. De besnijdenis is het zichtbare teken van de toetreding tot dat Verbond. Het Pesach is de verbondsmaaltijd van hen die tot het Verbond behoren. De offerdienst onderhoudt de gemeenschap tussen God en Zijn verbondsvolk.

Vanuit dit perspectief moet de rechtspositie van de ger worden beoordeeld. Niet zijn afkomst, maar zijn verhouding tot het Verbond bepaalt uiteindelijk of hij "als een geboren Israëliet" wordt beschouwd en onder dezelfde wet leeft.

In het volgende hoofdstuk zal deze verbondsstructuur worden toegepast op Leviticus 25, waar de Thora de begrippen ger, toshav, broeder en ezrach plaatst binnen het kader van eigendom, het Sabbatjaar, het Jubeljaar, lossing en dienstbaarheid. Juist daar zal blijken hoe het burgerlijk recht van Israël nauw verbonden is met de verbondsorde die in dit hoofdstuk is uiteengezet.

Hoofdstuk 4.

Leviticus 25: Het Sabbatjaar, het Jubeljaar en de rechtspositie van de Ger

Een juridische analyse van eigendom, burgerschap en Verbond

Inleiding.

Na de instelling van het Mozaische Verbond richt de Thora zich niet uitsluitend op de eredienst, maar ook op de inrichting van de samenleving. Leviticus 25 behoort daarom tot de belangrijkste hoofdstukken van de gehele Pentateuch. Hier worden de economische, sociale en burgerlijke verhoudingen van Israël geregeld.

Opvallend is dat juist in dit hoofdstuk verschillende juridische begrippen samenkomen:

  • broeder (ach);
  • Israëliet;
  • ger;
  • toshav;
  • dagloner;
  • slaaf.

Daarom vormt Leviticus 25 de sleutel tot het begrijpen van de verschillende rechtsposities binnen Israël.

1. Het uitgangspunt: Het land behoort aan de HEER.

Leviticus 25 begint niet met eigendomsrecht, maar met Gods eigendomsrecht.

God verklaart:

"Het land mag niet voorgoed verkocht worden, want het land is van Mij."

Hiermee wordt het gehele hoofdstuk beheerst.

Geen enkele Israëliet bezit het land absoluut.

Iedere Israëliet ontvangt slechts het gebruiksrecht dat God hem binnen het Verbond schenkt.

Het burgerlijk recht rust daarom volledig op Gods verbondsrecht.

2. Het Sabbatjaar

Elke zeven jaar moest het land rusten.

Niet alleen de eigenaar mocht daarvan leven.

Ook:

  • de arme;
  • de knecht;
  • de slavin;
  • de vreemdeling;
  • het vee;
  • de wilde dieren

mochten delen in de opbrengst.

Hier blijkt opnieuw dat de ger volledig onder Gods maatschappelijke orde leeft.

Hij deelt in Gods zorg voor het land.

Dat betekent echter nog niet dat hij dezelfde juridische positie bezit als degene aan wie het erfdeel behoort.

De Thora maakt onderscheid tussen delen in de zegeningen van het land en het bezitten van het erfdeel van het land.

3. Het Jubeljaar

Na zeven sabbatscycli volgt het Jubeljaar.

Alle verkochte familiegronden keren terug naar de oorspronkelijke families.

Deze bepaling heeft een diepere betekenis.

Het erfdeel behoort niet aan de mens.

God bewaart iedere stam binnen haar oorspronkelijke plaats.

Daarom kan grond nooit definitief vervreemd worden.

4. Waarom is het erfdeel verbonden aan de stammen?

Vanaf Numeri en Jozua blijkt dat iedere stam haar erfdeel ontvangt.

Het erfdeel loopt via:

  • de vader;
  • de stam;
  • de familie.

Hieruit blijkt opnieuw dat het nationale karakter van Israël wordt verbonden aan de geslachtslijn van de vader.

Het Jubeljaar beschermt deze goddelijke ordening.

5. De arme broeder

Leviticus behandelt vervolgens de situatie waarin een Israëliet verarmt.

Zijn broeder moet hem ondersteunen.

Hier verschijnt een belangrijk onderscheid.

De tekst spreekt niet eenvoudig over "een mens".

Zij spreekt over:

"uw broeder."

De wederzijdse verantwoordelijkheid is daarom geworteld in het Verbond.

6. Leviticus 25:35

Nu verschijnt een bijzonder vers.

De tekst luidt:

"Wanneer uw broeder verarmt ... dan zult u hem ondersteunen, de ger en de toshav, zodat hij bij u kan leven."

Dit vers behoort tot de moeilijkste van het hoofdstuk.

Opvallend is dat de woorden ger en toshav naast elkaar voorkomen.

Dat roept onmiddellijk de vraag op:

Beschrijven beide woorden samen één rechtspositie ("de inwonende vreemdeling"), of worden hier twee onderscheiden rechtscategorieën genoemd?

De Hebreeuwse tekst laat beide mogelijkheden grammaticaal open.

Daarom moet de betekenis worden vastgesteld vanuit de bredere context van de Thora.

Het is exegetisch niet verantwoord om op basis van dit vers alleen reeds een definitieve conclusie te trekken.

Wel blijkt dat de wetgever beide begrippen bewust noemt. Dat vraagt om nadere analyse in samenhang met de overige passages.

7. Het renteverbod

Direct daarna volgt het verbod om rente te nemen.

Van de arme broeder mag geen rente worden gevraagd.

De grond hiervoor is opnieuw theologisch.

God heeft Israël uit Egypte verlost.

Zijn volk mag daarom geen economische uitbuiting kennen.

Hier wordt economische gerechtigheid rechtstreeks verbonden met de verlossing uit Egypte.

8. De Israëlitische knecht

Wanneer een Israëliet zich uit armoede verkoopt aan een andere Israëliet, mag hij niet als slaaf worden behandeld.

Hij blijft:

  • broeder;
  • verbondslid;
  • erfgenaam.

Zijn dienst duurt slechts tot het Jubeljaar.

Daarna keert hij terug naar zijn familiebezit.

9. De rijke Ger

Vanaf vers 47 verandert de situatie.

Nu wordt niet de Israëliet rijk.

Nu wordt de ger rijk.

Een Israëliet verkoopt zich aan hem.

Deze bepaling is bijzonder.

Zij laat zien dat een ger:

  • vermogen kan bezitten;
  • economische activiteiten kan ontplooien;
  • personeel kan hebben.

Daarmee blijkt dat de ger geen rechteloze vreemdeling is.

Hij neemt daadwerkelijk deel aan het economische leven van Israël.

Toch blijft de Israëliet uiteindelijk Gods eigendom.

Daarom moet ook hij kunnen worden vrijgekocht.

10. De Lossing

Wanneer een Israëliet zich aan een ger verkoopt, ontstaat een recht op lossing.

Zijn familie mag hem vrijkopen.

Lukt dat niet, dan gaat hij uiterlijk in het Jubeljaar vrij uit.

Hier blijkt opnieuw dat het Verbond uiteindelijk boven iedere economische overeenkomst staat.

Geen economische relatie mag Gods verbondsorde blijvend opheffen.

11. De plaats van de Ger binnen het economische recht

Leviticus 25 tekent een opmerkelijk beeld.

De ger:

  • woont duurzaam in Israël;
  • geniet rechtsbescherming;
  • kan rijk worden;
  • kan bezit verwerven;
  • kan arbeid laten verrichten.

Maar nergens wordt gezegd dat hij daardoor automatisch deel krijgt aan het stamgebonden erfdeel van Israël.

Het erfdeel blijft verbonden aan de stammen die God het land heeft toegewezen.

Dit onderscheid tussen economische participatie en stamgebonden erfbezit vormt een belangrijk juridisch element van de verbondsorde.

Eerste juridische observaties

Leviticus 25 leert ten minste het volgende.

1.

Het burgerlijk recht is volledig gebaseerd op Gods Verbond.

2.

Eigendom is uiteindelijk Gods eigendom.

3.

Israëlitisch erfdeel is niet hetzelfde als economisch bezit.

4.

De ger bezit aanzienlijke burgerlijke en economische rechten.

5.

De tekst maakt duidelijk onderscheid tussen een erfgenaam binnen de stammen en een inwoner die onder Israëls rechtsorde leeft. Welke gevolgen dit onderscheid precies heeft voor de verbondsstatus van de ger, moet worden vastgesteld door Leviticus 25 te vergelijken met Exodus 12, Leviticus 17, Numeri 15 en Deuteronomium 14.

Tussenconclusie.

Leviticus 25 openbaart dat de sociale en economische orde van Israël volledig voortvloeit uit het Mozaische Verbond. Het hoofdstuk beschermt zowel het erfdeel van de stammen als de waardigheid van de arme, de knecht en de inwonende vreemdeling.

Voor de rechtspositie van de ger is vooral van belang dat hij een vaste plaats inneemt binnen Israëls samenleving en economie. Tegelijk blijft het erfdeel verbonden aan de stammen van Israël. Daarmee tekent Leviticus 25 een onderscheid tussen deelname aan het maatschappelijke leven en het bezit van het stamgebonden erfgoed.

In de volgende hoofdstukken zal moeten worden onderzocht hoe deze economische rechtspositie zich verhoudt tot de bepalingen over besnijdenis, Pesach, de offerdienst en de voedselwetten. Juist de vergelijking van deze wetsgedeelten zal duidelijk maken of de geschreven Thora aanleiding geeft om binnen het begrip ger verschillende juridische verbondsstatussen te onderscheiden.

Hoofdstuk 5

De rechtspositie van de Ger binnen het Mozaische Verbond

Een harmonisatie van Exodus 12, Leviticus 25, Deuteronomium 14 en Ezechiël 47

Inleiding.

De voorgaande hoofdstukken hebben laten zien dat de Thora de ger op uiteenlopende wijzen beschrijft. Soms deelt hij in de bescherming, de rust en de sociale voorzieningen van Israël. In andere passages wordt hij "als een geboren Israëliet" beschouwd en geldt voor hem dezelfde wet als voor de geboren Israëliet. Weer andere teksten lijken hem een afwijkende rechtspositie toe te kennen.

De vraag is daarom niet langer óf de ger een plaats heeft binnen Israëls rechtsorde, maar hoe de verschillende teksten met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht.

De hier voorgestelde reconstructie vertrekt vanuit het uitgangspunt dat de geschreven Thora een intern samenhangend rechtsstelsel vormt. Wanneer twee bepalingen op het eerste gezicht verschillen, moet eerst worden onderzocht of zij wellicht spreken over verschillende juridische situaties of verschillende fasen binnen dezelfde rechtsorde.

1. De Ger als verblijfsstatus

Uit hoofdstuk 1 bleek dat ger in de eerste plaats een verblijfsstatus aanduidt.

Het woord zegt dat iemand woont onder een volk waartoe hij oorspronkelijk niet behoort.

Daarmee is nog niet vastgesteld:

  • of hij besneden is;
  • of hij het Pesach viert;
  • of hij volledig tot het Verbond behoort.

De context moet deze vragen beantwoorden.

2. Exodus 12 als juridisch omslagpunt

Exodus 12 beschrijft de enige plaats in de Thora waar de rechtspositie van de ger uitdrukkelijk verandert.

De volgorde is duidelijk.

  1. De ger wil het Pesach vieren.
  2. Hij wordt besneden.
  3. Hij viert het Pesach.
  4. Hij wordt beschouwd als een geboren Israëliet.
  5. Eén wet geldt voor hem en voor de geboren Israëliet.

Deze tekst vormt het uitgangspunt voor de verdere harmonisatie.

Niet afkomst, maar verbondstoetreding bepaalt de volledige rechtspositie.

3. Deuteronomium 14

Deuteronomium 14:21 bepaalt:

"U mag geen gestorven dier eten; aan de ger die binnen uw poorten is, mag u het geven, of aan de nokhri verkopen."

Deze bepaling roept onmiddellijk een vraag op.

Indien de hier bedoelde ger reeds "als een geboren Israëliet" zou gelden, waarom zou hij dan mogen eten van hetgeen de geboren Israëliet uitdrukkelijk verboden is?

De tekst zelf geeft daarop geen verklaring.

Vanuit de samenhang van de Thora ligt daarom de mogelijkheid voor dat hier een ger wordt bedoeld die wel duurzaam onder Israëls bescherming leeft, maar nog niet de volledige verbondsstatus bezit die Exodus 12 beschrijft.

Deze conclusie is niet rechtstreeks geformuleerd in Deuteronomium 14, maar wordt voorgesteld als een harmonisatie van de verschillende wetsbepalingen.

4. Leviticus 25

Leviticus 25 laat zien dat een ger:

  • vermogen kan bezitten;
  • rijk kan worden;
  • economische rechten heeft;
  • onder de rechtsorde van Israël leeft.

Toch verbindt het hoofdstuk het stamgebonden erfdeel steeds aan de families van Israël.

Hierdoor ontstaat een onderscheid tussen:

  • deelname aan het economische leven;
  • het bezit van een erfdeel.

Het hoofdstuk zegt niet uitdrukkelijk dat iedere ger reeds een erfdeel bezit.

5. Ezechiël 47

Ezechiël voegt een opmerkelijke profetische bepaling toe.

De gerim die zich onder Israël gevestigd hebben en kinderen hebben voortgebracht,

"zullen voor u zijn als geboren Israëlieten."

Vervolgens ontvangen zij een erfdeel binnen de stam waaronder zij wonen.

Deze uitspraak vertoont een opvallende overeenkomst met Exodus 12.

Beide teksten verbinden de uitdrukking:

"als een geboren Israëliet"

met een verandering van rechtspositie.

Waar Exodus 12 de toegang tot het Verbond benadrukt, beschrijft Ezechiël 47 de daaruit voortvloeiende plaats binnen het erfdeel van Israël.

6. Een mogelijke juridische reconstructie

Wanneer de besproken teksten naast elkaar worden gelegd, ontstaat de volgende samenhang.

Eerste fase

De ger woont duurzaam in Israël.

Hij:

  • geniet rechtsbescherming;
  • rust op de sabbat;
  • deelt in de sociale voorzieningen;
  • leeft onder Israëls burgerlijke wet.

Zijn rechtspositie is echter nog niet volledig gelijk aan die van de geboren Israëliet.

Tweede fase

Door de besnijdenis treedt de ger toe tot het Verbond.

Vanaf dat moment:

  • viert hij het Pesach;
  • geldt voor hem één wet;
  • wordt hij beschouwd als een geboren Israëliet.

Derde fase

De profetie van Ezechiël laat zien dat de volledig opgenomen ger uiteindelijk ook een erfdeel ontvangt binnen de stammen van Israël.

Daarmee wordt de juridische integratie voltooid.

7. Juridische gevolgen

Indien deze reconstructie juist is, verklaart zij verschillende bepalingen van de Thora zonder onderlinge tegenspraak.

Zij verklaart waarom:

  • dezelfde term ger in verschillende contexten verschillende rechtsgevolgen heeft;
  • Exodus 12 spreekt over volledige gelijkstelling;
  • Deuteronomium 14 een afwijkende voedselbepaling kent;
  • Leviticus 25 economische rechten aan de ger toekent zonder hem expliciet een stamgebonden erfdeel toe te wijzen;
  • Ezechiël 47 spreekt over de toekenning van een erfdeel aan gerim die "als geboren Israëlieten" worden beschouwd.

 

8. Vergelijking met de rabbijnse terminologie

De latere rabbijnse traditie spreekt over:

  • ger toshav;
  • ger tsedek.

Deze termen komen in deze technische betekenis niet letterlijk in de geschreven Thora voor.

Toch is het mogelijk dat zij een poging vormen om de verschillende rechtsposities te beschrijven die uit de context van de Thora kunnen worden afgeleid.

Of deze rabbijnse uitwerking volledig overeenkomt met de gegevens van de geschreven Thora, zal in een later hoofdstuk afzonderlijk worden onderzocht.

Tussenconclusie

De besproken teksten laten zien dat de rechtspositie van de ger niet uitsluitend wordt bepaald door zijn verblijf in Israël, maar uiteindelijk door zijn verhouding tot het Mozaische Verbond. Exodus 12 vormt daarbij het beslissende juridische omslagpunt: door de besnijdenis en de deelname aan het Pesach wordt de ger "als een geboren Israëliet" beschouwd en geldt voor hem dezelfde wet.

Leviticus 25 toont vervolgens dat de ger ook vóór volledige gelijkstelling een erkende plaats heeft binnen de burgerlijke en economische rechtsorde van Israël. Ezechiël 47 voltooit dit beeld door te spreken over gerim die, als geboren Israëlieten beschouwd, een erfdeel ontvangen binnen de stammen.

Deze harmonisatie wordt in deze studie voorgesteld als een mogelijke reconstructie van de interne rechtsstructuur van de geschreven Thora. Zij beoogt de verschillende wetsbepalingen niet tegen elkaar uit te spelen, maar in hun onderlinge samenhang te verstaan.

Hoofdstuk 6

Deuteronomium 14:21

De Ger, de Toshav en het gestorven dier

Inleiding.

Geen enkele bepaling over de ger heeft zoveel discussie opgeroepen als Deuteronomium 14:21. Op het eerste gezicht lijkt deze tekst af te wijken van verschillende bepalingen uit Leviticus, waar dezelfde voedselwetten zowel voor de geboren Israëliet als voor de ger gelden.

De vraag is daarom niet slechts wat Deuteronomium 14:21 zegt, maar hoe deze bepaling zich verhoudt tot de overige wetgeving van Mozes.

Het uitgangspunt van deze studie is dat de Thora één samenhangend rechtsstelsel vormt. Wanneer twee bepalingen ogenschijnlijk uiteenlopen, moet eerst worden onderzocht of zij spreken over verschillende juridische situaties of verschillende rechtsposities.

1. De tekst van Deuteronomium 14:21

De wet luidt:

"U mag geen enkel gestorven dier eten. U mag het geven aan de ger die binnen uw poorten is, zodat hij het eet, of u mag het verkopen aan de nokhri."

In één vers worden drie groepen onderscheiden:

  • de Israëliet;
  • de ger;
  • de nokhri.

De Israëliet mag het vlees niet eten.

De ger mag het ontvangen.

De nokhri mag het worden verkocht.

Reeds hierdoor blijkt dat de wetgever bewust onderscheid maakt tussen verschillende rechtsposities.

2. De plaats van de Ger

Opvallend is dat de ger niet buiten Israël leeft.

Hij woont:

"binnen uw poorten."

Dat betekent dat hij deel uitmaakt van de Israëlitische samenleving.

Toch verschilt zijn rechtspositie op dit punt van die van de Israëliet.

Juist deze combinatie maakt de tekst zo bijzonder.

3. De Nokhri

De nokhri wordt onderscheiden van de ger.

Aan hem wordt het gestorven dier niet gegeven, maar verkocht.

Daaruit blijkt dat de nokhri niet dezelfde maatschappelijke positie bezit als de ger.

Hij behoort kennelijk niet tot de vaste gemeenschap binnen Israël.

4. De spanning met Leviticus

Leviticus bepaalt dat de ger onder verschillende voedselwetten dezelfde verplichtingen heeft als de Israëliet.

Deuteronomium 14 lijkt echter een uitzondering te maken.

De vraag luidt daarom:

Spreken beide teksten over precies dezelfde rechtspositie?

Of gebruikt de Thora het woord ger in verschillende contexten?

5. Exodus 12 als hermeneutische sleutel

Exodus 12 verklaart:

"Wanneer een ger het Pesach wil vieren, moet iedere man besneden worden."

Daarna volgt:

"Dan zal hij zijn als een geboren Israëliet."

En vervolgens:

"Eén wet zal gelden."

Deze volgorde is van groot belang.

De rechtsgelijkheid ontstaat pas nadat de ger volledig tot het Verbond is toegetreden.

Hierdoor ontstaat een hermeneutisch uitgangspunt voor de uitleg van Deuteronomium 14.

Wanneer een ger reeds "als een geboren Israëliet" geldt, ligt het voor de hand dat ook de voedselwetten op gelijke wijze op hem van toepassing zijn.

6. Een juridische harmonisatie

Vanuit de samenhang van de Thora kan de volgende reconstructie worden voorgesteld.

De ger van Deuteronomium 14 is een inwonende vreemdeling die:

  • duurzaam onder Israëls rechtsorde leeft;
  • Gods bescherming geniet;
  • deelneemt aan de maatschappelijke orde;

maar nog niet de volledige verbondsstatus bezit die Exodus 12 beschrijft.

Hierdoor wordt begrijpelijk waarom hij op dit punt een andere rechtspositie heeft dan degene die "als een geboren Israëliet" wordt beschouwd.

Deze reconstructie wordt niet rechtstreeks door Deuteronomium 14 uitgesproken, maar volgt uit de poging om alle relevante teksten met elkaar in overeenstemming te brengen.

8. De relatie met Ezechiël 47

Ezechiël beschrijft een situatie waarin gerim:

  • als geboren Israëlieten worden beschouwd;
  • een erfdeel ontvangen binnen een stam.

Deze profetie vormt een belangrijke parallel met Exodus 12.

Beide teksten verbinden volledige gelijkstelling aan een veranderde rechtspositie.

Wanneer Ezechiël naast Deuteronomium 14 wordt gelezen, ontstaat de mogelijkheid dat de Thora en de profeten verschillende fasen beschrijven binnen de opname van de ger in Israël.

9. De Ger en de Toshav

Deuteronomium 14 gebruikt uitsluitend het woord ger.

Leviticus 25 noemt echter zowel ger als toshav.

Dat roept de vraag op of de ger van Deuteronomium 14 dezelfde persoon is als de ger van Leviticus 25, of dat de context wijst op een ger die de rechtspositie bezit die later met de term ger toshav wordt aangeduid.

De geschreven Thora gebruikt deze technische term niet expliciet.

Wel laat de vergelijking van de verschillende passages zien dat de rechtsgevolgen niet in iedere context gelijk zijn.

10. De plaats van de voedselwetten

Voedselwetten behoren niet uitsluitend tot de gezondheidsvoorschriften van Israël.

Zij maken deel uit van de heiligheidswet.

De verboden op het eten van bepaalde dieren drukken de bijzondere roeping van Israël uit als een heilig volk.

Daarom is het van betekenis dat Deuteronomium 14 juist op dit punt onderscheid maakt tussen de Israëliet en de ger.

Indien de hier bedoelde ger reeds volledig dezelfde verbondsstatus zou bezitten, vraagt deze afwijkende bepaling om een nadere verklaring.

Eerste conclusies

Deuteronomium 14 leert ten minste het volgende.

1.

De wet onderscheidt uitdrukkelijk drie rechtsposities:

  • Israëliet;
  • ger;
  • nokhri.

2.

De ger woont duurzaam binnen Israël.

3.

Zijn rechtspositie verschilt op dit punt van die van de geboren Israëliet.

4.

De vergelijking met Exodus 12, Leviticus 25 en Ezechiël 47 maakt een harmonisatie mogelijk waarin de volledige rechtsgelijkheid samenhangt met de toetreding tot het Verbond.

Tussenconclusie

Deuteronomium 14:21 vormt geen geïsoleerde bepaling, maar maakt deel uit van de bredere verbondswetgeving van Mozes. De tekst onderscheidt de ger zowel van de geboren Israëliet als van de nokhri en kent hem een eigen rechtspositie toe.

Wanneer deze bepaling wordt gelezen in samenhang met Exodus 12, Leviticus 25 en Ezechiël 47, ontstaat een samenhangend model waarin de volledige rechtsgelijkheid van de ger niet uitsluitend afhangt van zijn verblijf in Israël, maar van zijn opname in het Mozaische Verbond. Vanuit dat perspectief kan Deuteronomium 14 worden verstaan zonder de eenheid van de Thora geweld aan te doen.

Het volgende hoofdstuk zal daarom onderzoeken hoe de rabbijnse traditie de begrippen ger, toshav en ger tsedek heeft uitgewerkt, en in hoeverre deze uitwerking overeenkomt met of afwijkt van de gegevens van de geschreven Thora.

Hoofdstuk 7

De juridische categorieën van de Thora

Een synoptisch overzicht van de rechtsposities van de Ezrach, Ger, Toshav en Nokhri

Inleiding.

De voorgaande hoofdstukken hebben aangetoond dat de Thora niet steeds dezelfde groepen noemt. Afhankelijk van het onderwerp spreekt zij over de ezrach (de geboren Israëliet), de ger, de toshav, de nokhri, de broeder (ach) of combinaties daarvan.

Dit gegeven is van groot belang. Het laat zien dat de wetgever zijn terminologie zorgvuldig kiest en dat iedere wet moet worden uitgelegd binnen haar eigen juridische context.

Het doel van dit hoofdstuk is daarom niet om nieuwe conclusies te trekken, maar om alle relevante gegevens overzichtelijk naast elkaar te plaatsen. Pas daarna kan worden beoordeeld welke rechtsstructuur uit de geschreven Thora naar voren komt.

1. De Ezrach (אזרח)

De ezrach is de geboren Israëliet.

Hij behoort van geboorte tot de verbondsgemeenschap van Israël en bezit het stamgebonden erfdeel dat door de HEER aan de stammen is toegewezen.

Voor hem gelden zonder uitzondering alle bepalingen van de Thora.

2. De Ger (גר)

Het woord ger beschrijft in de eerste plaats een vreemdeling die onder Israël woont.

De voorgaande hoofdstukken hebben laten zien dat de context bepaalt welke rechtspositie deze ger bezit.

In sommige passages wordt hij volledig gelijkgesteld aan de geboren Israëliet.

In andere passages wordt een onderscheiden rechtspositie zichtbaar.

3. De Toshav (תושב)

De toshav wordt voorgesteld als iemand die duurzaam binnen Israël verblijft.

Hij geniet bescherming van de wet en neemt deel aan het maatschappelijke leven.

Leviticus 25 noemt de ger en de toshav gezamenlijk in de context van armoede, economische bescherming en dienstbaarheid.

De precieze verhouding tussen beide termen behoort tot de belangrijkste vragen van deze studie.

4. De Nokhri (נכרי)

De nokhri is de buitenlander.

In Deuteronomium 14 wordt hij onderscheiden van de ger.

Aan hem wordt het gestorven dier verkocht, terwijl het aan de ger wordt gegeven.

Ook de bepalingen over rente maken onderscheid tussen de broeder en de nokhri.

De nokhri staat daarmee buiten de verbondsgemeenschap én buiten de vaste maatschappelijke structuur van Israël.

5. De juridische indeling van de wetgeving

* Indien de in deze studie voorgestelde reconstructie juist is, valt de rechtspositie van de toshav samen met de onbesneden ger vóór de toetreding tot het Verbond. Deze identificatie is echter een exegetische hypothese die in de voorgaande hoofdstukken is beargumenteerd en niet een term die de Thora zelf expliciet gebruikt.

6. Een terugkerend patroon

Wanneer de verschillende wetten naast elkaar worden gelegd, valt een opmerkelijk patroon op.

Religieuze bepalingen

Bij bepalingen die rechtstreeks betrekking hebben op het Verbond, zoals het Pesach, ligt de nadruk op de toetreding tot het Verbond.

Exodus 12 vormt daarbij het beslissende omslagpunt.

Burgerlijke bepalingen

Bij burgerlijke wetten ligt de nadruk op bescherming, rechtspraak en maatschappelijke orde.

Daar wordt de ger regelmatig samen met de Israëliet genoemd.

Economische bepalingen

Leviticus 25 laat zien dat de ger economisch volledig kan deelnemen aan de samenleving.

Hij kan rijk worden, bezit verwerven en arbeid organiseren.

Toch blijft het stamgebonden erfdeel verbonden aan de door God ingestelde ordening van de stammen.

7. Het onderscheid tussen burgerrecht en verbondsrecht

Een belangrijk inzicht dat uit de voorgaande hoofdstukken naar voren komt, is dat de Thora verschillende rechtsgebieden kent.

Enerzijds is er het burgerlijk recht, dat bescherming, rechtspraak, eigendom en maatschappelijke verhoudingen regelt.

Anderzijds is er het verbondsrecht, dat betrekking heeft op de verhouding tot de HEER, de besnijdenis, het Pesach en de heilige eredienst.

Deze studie stelt de hypothese voor dat juist dit onderscheid verklaart waarom de ger in sommige contexten dezelfde rechten bezit als de geboren Israëliet, terwijl hij in andere contexten pas na de toetreding tot het Verbond volledig wordt gelijkgesteld.

Deze hypothese vraagt om voortdurende toetsing aan de afzonderlijke teksten en mag daarom niet als een reeds bewezen uitgangspunt worden beschouwd.

8. De betekenis van Ezechiël 47

De profetie van Ezechiël vormt een belangrijke aanvulling.

Daar worden gerim die zich duurzaam onder Israël hebben gevestigd en kinderen hebben voortgebracht,

"als geboren Israëlieten"

beschouwd.

Bovendien ontvangen zij een erfdeel binnen de stammen.

Hierdoor ontstaat een opmerkelijke verbinding met Exodus 12.

Beide teksten gebruiken dezelfde juridische formulering om een volledige gelijkstelling binnen de gemeenschap van Israël uit te drukken.

Samenvattende observaties

Na bestudering van de verschillende wetten kunnen de volgende tekstgegevens worden vastgesteld.

1.

De Thora onderscheidt meerdere juridische categorieën.

2.

Niet iedere wet noemt dezelfde groepen.

3.

De rechtspositie van de ger wordt steeds door de context bepaald.

4.

Exodus 12 beschrijft een duidelijke verandering van rechtspositie door toetreding tot het Verbond.

5.

Leviticus 25 toont dat een ger aanzienlijke burgerlijke en economische rechten bezit.

6.

Ezechiël 47 spreekt over gerim die als geboren Israëlieten worden beschouwd en een erfdeel ontvangen.

Tussenconclusie.

De geschreven Thora presenteert geen eenvoudige tweedeling tussen Israëliet en vreemdeling, maar een genuanceerde rechtsorde waarin verschillende groepen een eigen plaats innemen. De context van iedere wet bepaalt welke rechten en plichten worden genoemd.

De vergelijking van Exodus 12, Deuteronomium 14, Leviticus 25, Numeri 35 en Ezechiël 47 laat zien dat de rechtspositie van de ger niet in alle situaties identiek is. De in deze studie voorgestelde harmonisatie verklaart dit vanuit de gedachte dat de volledige rechtsgelijkheid samenhangt met de toetreding tot het Mozaische Verbond. Deze reconstructie wordt niet als een expliciete uitspraak van één afzonderlijke tekst gepresenteerd, maar als een poging om de verschillende wetsbepalingen van de Thora in hun onderlinge samenhang te verstaan.

Hoofdstuk 8

Het Verbond als sleutel tot de rechtsorde van de Thora

Besnijdenis, reinheid, offerdienst en de volledige opname van de Ger

Inleiding.

In de voorgaande hoofdstukken is gebleken dat de rechtspositie van de ger niet uitsluitend wordt bepaald door zijn verblijf in Israël. De beslissende vraag is of hij reeds volledig deel uitmaakt van het Mozaische Verbond.

De Thora laat zien dat dit Verbond niet alleen burgerlijke rechten regelt, maar ook de wijze waarop de mens de HEER mag naderen. De bepalingen over besnijdenis, rituele reinheid, de offerdienst en de grote feesten vormen daarom geen losstaande wetten. Zij vormen samen de cultische rechtsorde van het Verbond.

Dit hoofdstuk onderzoekt hoe deze onderdelen met elkaar samenhangen.

1. Het Verbond als toegang tot Gods heiligdom

Het Mozaische Verbond is meer dan een verzameling geboden. Het schept een verbondsrelatie tussen de HEER en Zijn volk.

Daarom is de vraag niet alleen:

"Mag iemand in Israël wonen?"

Maar vooral:

"Mag hij tot de HEER naderen?"

De toegang tot Gods heiligdom vormt één van de wezenlijke kenmerken van het Verbond.

2. De besnijdenis als verbondsteken.

Genesis 17 noemt de besnijdenis het teken van Gods Verbond.

Iedere man die tot het Verbond behoort, draagt dit teken in zijn lichaam.

Dezelfde hoofdstuk bepaalt bovendien dat:

  • de huisgeborene;
  • de met geld gekochte knecht;

eveneens besneden moeten worden.

De besnijdenis is daarom niet uitsluitend verbonden aan afstamming, maar aan opname in de verbondsgemeenschap.

3. Exodus 12: de juridische overgang

Exodus 12 beschrijft de overgang van de ger naar volledige deelname aan het Verbond.

De volgorde is nauwkeurig.

  • De ger woont reeds onder Israël.
  • Hij verlangt het Pesach van de HEER te vieren.
  • Hij wordt besneden.
  • Hij viert het Pesach.
  • Hij wordt beschouwd als een geboren Israëliet.
  • Eén wet geldt voor hem en voor de geboren Israëliet.

De tekst presenteert de besnijdenis als het omslagpunt waardoor de ger volledig in de verbondsgemeenschap wordt opgenomen.

4. Reinheid als verbondsplicht.

Vanaf dat moment behoort de ger niet alleen tot het volk, maar ook tot de heilige eredienst.

De Thora verbindt het naderen tot God steeds met rituele reinheid.

De wetten van Leviticus 11–15, Leviticus 17, Leviticus 22 en Numeri 19 maken duidelijk dat wie de HEER wil naderen, zich niet willekeurig tot het heiligdom kan begeven.

Reinheid behoort tot de verantwoordelijkheid van hen die binnen het Verbond leven.

5. De offerdienst

Het Mozaische Verbond is bij de Sinaï met offers bekrachtigd (Exodus 24).

Daarom is de offerdienst geen bijkomstig element van het Verbond.

Zij behoort tot het hart van de gemeenschap tussen God en Zijn volk.

Wie tot het Verbond behoort, ontvangt niet alleen het recht om offers te brengen, maar ook de plicht de heilige voorschriften daaromtrent te onderhouden.

6. Niet met lege handen verschijnen.

De HEER gebiedt dat niemand voor Zijn aangezicht verschijnt met lege handen (Exodus 23:15; Exodus 34:20; Deuteronomium 16:16-17).

Bij de door God ingestelde pelgrimsfeesten behoort het brengen van een gave of offer overeenkomstig de voorschriften van de Thora.

Het verschijnen voor de HEER is daarom een verbondshandeling.

De eredienst bestaat niet uitsluitend uit gebed, maar omvat ook de offers die God Zelf heeft ingesteld.

7. Jesaja 56

De profeet Jesaja werpt bijzonder licht op de plaats van de vreemdeling.

Hij spreekt over de vreemdelingen die zich aan de HEER verbonden hebben.

Van hen wordt gezegd:

"Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar."

De nadruk ligt niet uitsluitend op het gebed.

De profeet noemt uitdrukkelijk:

  • het altaar;
  • de brandoffers;
  • de slachtoffers.

Hieruit blijkt dat de vreemdeling die zich aan de HEER verbindt, niet slechts als toeschouwer aanwezig is, maar deelneemt aan de door God ingestelde eredienst.

8. Numeri 15.

Numeri 15 bevestigt dezelfde lijn.

Wanneer een ger een vuuroffer aan de HEER brengt, bepaalt de wet:

"Zoals u bent, zo zal ook de ger zijn."

En vervolgens:

"Eén wet en één verordening zal gelden voor u en voor de ger die bij u verblijft."

De offerdienst wordt daarmee verbonden aan dezelfde rechtsgelijkheid die Exodus 12 reeds bij het Pesach aankondigde.

9. De cultische betekenis van de verbondstoetreding.

Wanneer Genesis 17, Exodus 12, Exodus 24, Numeri 15 en Jesaja 56 gezamenlijk worden gelezen, ontstaat een duidelijke structuur.

De toetreding tot het Verbond brengt ten minste de volgende gevolgen met zich mee:

  • het teken van de besnijdenis;
  • deelname aan het Pesach;
  • toegang tot de offerdienst;
  • onderworpenheid aan de reinheidswetten;
  • deelname aan de grote feesten van de HEER;
  • toepassing van dezelfde cultische wet als voor de geboren Israëliet.

Deze elementen vormen samen de cultische rechtsorde van het Mozaische Verbond.

10. De verhouding tot de Ger die nog niet volledig is toegetreden

In eerdere hoofdstukken is de hypothese voorgesteld dat de geschreven Thora onderscheid maakt tussen de ger die reeds volledig tot het Verbond is toegetreden en de ger die wel onder Israëls bescherming leeft, maar deze volledige verbondsstatus nog niet bezit.

Indien deze reconstructie juist is, verklaart zij waarom sommige teksten de ger een afwijkende rechtspositie toekennen, terwijl andere hem volledig gelijkstellen aan de geboren Israëliet.

Deze conclusie wordt echter niet door één afzonderlijke tekst uitgesproken, maar berust op de harmonisatie van meerdere passages.

Samenvattende conclusies

Uit de onderzochte teksten kunnen de volgende gegevens worden vastgesteld.

1.

De besnijdenis is het verbondsteken waardoor de ger volledig in de verbondsgemeenschap wordt opgenomen.

2.

Het Pesach vormt de eerste verbondsmaaltijd waaraan hij als verbondslid deelneemt.

3.

De offerdienst behoort wezenlijk tot het leven van het Verbond.

4. 

Rituele reinheid is een noodzakelijke voorwaarde voor het naderen tot de HEER.

5.

Jesaja 56 bevestigt dat de vreemdeling die zich aan de HEER verbindt, met zijn offers welkom is op Gods altaar.

6.

Numeri 15 verbindt de offerdienst met het beginsel van "één wet" voor de geboren Israëliet en de ger.

Tussenconclusie.

De bestudering van de verbondswetgeving laat zien dat de opname van de ger in het Mozaische Verbond niet uitsluitend een verandering van maatschappelijke positie inhoudt. Zij betekent bovenal een verandering van cultische rechtspositie. Door de besnijdenis wordt de ger opgenomen in de gemeenschap die de HEER op de door Hem voorgeschreven wijze mag naderen.

De besnijdenis, het Pesach, de offerdienst, de reinheidswetten en de pelgrimsfeesten vormen daarom geen afzonderlijke instellingen, maar één samenhangende verbondsorde. Binnen die orde ontvangt de ger die volledig tot het Verbond is toegetreden dezelfde cultische rechten en plichten als de geboren Israëliet. De vraag hoe deze cultische gelijkstelling zich verhoudt tot het burgerlijk recht, het familierecht en het Jubeljaar zal in de volgende hoofdstukken verder worden onderzocht.

Hoofdstuk 9

Abraham als het verbondspatroon van de Ger

Van vreemdelingschap naar Verbond, besnijdenis en eredienst

Inleiding.

De rechtsorde van de Thora ontstaat niet los van de geschiedenis. Reeds in het leven van Abraham openbaart God fundamentele beginselen die later in de wetgeving van Mozes verder worden uitgewerkt. Abraham is niet alleen de aartsvader van het verbondsvolk, maar tevens de eerste mens van wie de Schrift uitvoerig beschrijft hoe God hem roept, afzondert, een Verbond met hem sluit en hem leert leven in gemeenschap met Hem.

De vraag van dit hoofdstuk is daarom of de levensweg van Abraham licht werpt op de latere rechtspositie van de ger binnen de Thora.

1. De roeping van Abram.

De geschiedenis begint met Gods roeping (Genesis 12).

De HEER gebiedt Abram:

  • zijn land te verlaten;

  • zijn familie te verlaten;

  • het huis van zijn vader te verlaten;

  • te trekken naar het land dat God hem zal wijzen.

Abram verlaat daarmee zijn vroegere leven en vertrouwt zich toe aan de leiding van de HEER.

2. Abraham als vreemdeling en toshav.

Hoewel God hem het land Kanaän belooft, wordt Abraham tijdens zijn leven geen eigenaar van het land.

Wanneer Sara sterft, zegt hij tegen de Hethieten:

"Ik ben een vreemdeling en een bijwoner (ger we-toshav) onder u."

(Genesis 23:4)

Deze uitspraak is opmerkelijk.

De man aan wie God het land beloofd heeft, noemt zichzelf juridisch een ger en een toshav.

Hij leeft onder Gods belofte, maar bezit de erfenis nog niet.

3. Van Abram naar Abraham.

Aanvankelijk draagt hij de naam Abram.

In Genesis 17 verandert God zijn naam in Abraham en verklaart:

"Want Ik maak u tot vader van een menigte volken."

De Schrift geeft daarmee zelf de betekenis van de naamsverandering.

Abraham wordt niet alleen de stamvader van één volk, maar ontvangt een bredere roeping binnen Gods heilsplan.

4. Het Verbond.

In Genesis 15 sluit God Zijn Verbond met Abraham.

Dit Verbond wordt bekrachtigd door een offerplechtigheid waarin God Zelf de verantwoordelijkheid voor de vervulling van Zijn beloften op Zich neemt.

Hier blijkt reeds dat Verbond en offerdienst nauw met elkaar verbonden zijn.

5. De besnijdenis als teken van het Verbond.

In Genesis 17 geeft God de besnijdenis als blijvend teken van Zijn Verbond.

Iedere man die tot het huis van Abraham behoort, moet worden besneden.

De Schrift noemt daarbij uitdrukkelijk:

  • Abraham;

  • Ismaël;

  • iedere huisgeborene;

  • iedere met geld gekochte knecht.

Opvallend is dat Isaak op dat moment nog niet geboren is.

De instelling van de besnijdenis gaat dus vooraf aan zijn geboorte.

6. Zegen en Verbond.

Juist in Genesis 17 maakt God een fundamenteel onderscheid.

Over Ismaël zegt de HEER:

"Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar maken en hem uitermate talrijk doen worden."

Ismaël staat dus niet buiten Gods zorg of zegen.

Maar onmiddellijk daarna zegt God:

"Mijn Verbond zal Ik oprichten met Isaak, die Sara u op deze vastgestelde tijd in het volgende jaar zal baren."

Hier onderscheidt de Schrift duidelijk tussen Gods zegen en de verbondslijn.

Ismaël ontvangt Gods zegen en wordt vader van een groot volk.

De lijn van het Verbond waardoor de beloften worden voortgezet, loopt echter via Isaak.

Daarom zal later niet Ismaël, maar Isaak als erfgenaam van het Verbond worden beschouwd.

7. Het huisgezin van Abraham.

Genesis 17 laat zien dat de besnijdenis niet uitsluitend betrekking heeft op de natuurlijke afstammelingen van Abraham.

Ook de mannen die in zijn huis geboren zijn of met geld zijn gekocht, moeten worden besneden.

Hierdoor ontstaat een belangrijk juridisch beginsel.

Het huisgezin van Abraham bestaat uit meer personen dan alleen zijn biologische familie.

Allen die blijvend tot zijn huis behoren, dragen hetzelfde verbondsteken.

Daarmee laat de Schrift zien dat het Verbond een huishoudelijke dimensie bezit.

8. Moria en de eredienst.

In Genesis 22 draagt God Abraham op zijn zoon Isaak te offeren.

Op de berg Moria grijpt de HEER Zelf in en voorziet Hij in een offerdier.

Volgens 2 Kronieken 3:1 wordt op dezezelfde berg later de tempel gebouwd.

Daardoor ontstaat een diepe samenhang tussen:

  • Abraham;

  • het Verbond;

  • het offer;

  • de plaats waar de HEER Zijn Naam doet wonen.

De geschiedenis van Abraham voert uiteindelijk naar de plaats van de eredienst.

9. Het patroon van Abraham.

Wanneer de gebeurtenissen in hun volgorde worden gelezen, ontstaat een duidelijk patroon.

  1. God roept Abraham.

  2. Hij verlaat zijn vroegere leven.

  3. Hij woont als vreemdeling en toshav.

  4. God sluit Zijn Verbond met hem.

  5. Hij ontvangt het teken van de besnijdenis.

  6. Zijn gehele huis wordt onder dit verbondsteken gebracht.

  7. God bevestigt dat de verbondslijn via Isaak zal voortgaan.

  8. Abraham nadert God in de offerdienst.

  9. Op Moria voorziet de HEER Zelf in het offer.

Deze volgorde laat zien dat Gods Verbond niet losstaat van de eredienst.

Roeping, Verbond, besnijdenis en offerdienst vormen één samenhangende ontwikkeling.

10. Betekenis voor de rechtsorde van de Thora.

Wanneer Mozes later de wetgeving geeft over de ger, de besnijdenis, het Pesach en de offerdienst, doet hij dat niet in een historisch vacuüm.

De fundamentele beginselen zijn reeds zichtbaar in het leven van Abraham.

De geschiedenis van Abraham leert dat:

  • vreemdelingschap voorafgaat aan het bezit van de erfenis;

  • het Verbond wordt bevestigd door een zichtbaar teken;

  • het huisgezin gezamenlijk onder dat Verbond wordt gebracht;

  • de gemeenschap met God zichtbaar wordt in de door Hem ingestelde offerdienst.

De latere wetgeving van de Thora bouwt op deze verbondsgeschiedenis voort.

Samenvattende conclusie.

Uit de geschiedenis van Abraham kunnen de volgende tekstgegevens worden vastgesteld.

1.

Abraham wordt geroepen terwijl hij buiten het beloofde land leeft.

2.

Hij woont vervolgens als ger en toshav in Kanaän.

3.

God sluit Zijn Verbond met Abraham en geeft de besnijdenis als blijvend verbondsteken.

4.

Op de dag van de instelling van de besnijdenis worden Abraham, Ismaël en alle mannen van zijn huis besneden. Isaak wordt pas later geboren en ontvangt op de achtste dag eveneens het verbondsteken.

5.

De Schrift onderscheidt duidelijk tussen Gods zegen en de verbondslijn. Ismaël ontvangt Gods zegen, maar het Verbond wordt voortgezet via Isaak.

6.

Ook huisgeborenen en gekochte knechten ontvangen het teken van het Verbond, waardoor zichtbaar wordt dat de verbondsgemeenschap meer omvat dan alleen de natuurlijke afstammelingen van Abraham.

7.

De geschiedenis mondt uit op de berg Moria, waar God in het offer voorziet en waar later de tempel zal worden gebouwd.

Tussenconclusie.

De geschiedenis van Abraham vormt het historische en verbondsmatige fundament waarop de latere rechtsorde van de Thora rust. Nog vóór de wetgeving bij de Sinaï worden de hoofdthema's zichtbaar die later de positie van de ger, het huisgezin en de eredienst zullen bepalen: Gods roeping, vreemdelingschap, Verbond, besnijdenis en offer.

Daarmee laat de Schrift zien dat de wetgeving van Mozes niet losstaat van Gods eerdere handelen, maar voortbouwt op de verbondsgeschiedenis die met Abraham begint. De weg die Abraham gaat, vormt de achtergrond waartegen de latere bepalingen over de ger en de verbondsgemeenschap moeten worden gelezen.

Hoofdstuk 10

Het huisgezin als verbondseenheid

De rechtspositie van de huisgeborene en de gekochte knecht

Inleiding. 

In de voorgaande hoofdstukken is gebleken dat de besnijdenis het zichtbare teken vormt van het Verbond dat God met Abraham heeft opgericht. Opvallend is echter dat dit teken niet uitsluitend aan Abraham en zijn natuurlijke nakomelingen wordt gegeven. Ook de huisgeborene en de met geld gekochte knechten moeten worden besneden.

Dit roept een belangrijke juridische vraag op.

Waarom verplicht God de besnijdenis aan mannen die geen natuurlijke afstammelingen van Abraham zijn?

Het antwoord lijkt te liggen in het karakter van het huisgezin. De Thora beschouwt het huis niet slechts als een economische eenheid, maar als een verbondseenheid waarin allen die blijvend tot het huis behoren delen in dezelfde verbondsverantwoordelijkheid.

1. Het huisgezin in Genesis 17

Bij de instelling van de besnijdenis noemt God vier groepen:

  • Abraham;

  • Ismaël;

  • iedere huisgeborene;

  • iedere met geld gekochte knecht.

De tekst maakt geen onderscheid in de verplichting tot besnijdenis.

Allen die blijvend tot het huis behoren, ontvangen hetzelfde verbondsteken.

Hieruit blijkt dat het Verbond zich niet beperkt tot de bloedlijn alleen, maar zich uitstrekt tot het gehele huisgezin.

2. De rechtspositie van de gekochte knecht.

De gekochte knecht blijft juridisch eigendom van zijn heer.

Zijn maatschappelijke positie verandert daardoor niet.

Toch verandert zijn verbondspositie ingrijpend.

Door de besnijdenis wordt hij opgenomen binnen de verbondsgemeenschap van het huis waarin hij leeft.

Daarmee laat de Schrift zien dat burgerlijke status en verbondsstatus niet samenvallen.

Een dienaar kan volledig deelnemen aan het verbondsleven zonder daardoor zijn maatschappelijke positie als dienaar te verliezen.

3. De besnijdenis als toegang tot het verbondsleven.

Genesis 17 noemt de besnijdenis een eeuwig verbondsteken.

Exodus 12 verbindt vervolgens juist dit teken met de viering van het Pesach.

Een met geld gekochte knecht mag van het Pesach eten nadat hij besneden is.

Daarmee wordt duidelijk dat de besnijdenis niet slechts een lichamelijk teken is, maar een juridische voorwaarde voor deelname aan de verbondsmaaltijd.

4. Het Pesach als huisgezinsoffer.

Het eerste Pesach wordt niet gevierd door losse individuen.

Het wordt gevierd door de afzonderlijke huizen van Israël.

Het lam wordt geslacht voor het huisgezin.

Iedereen die rechtmatig tot dat huis behoort, eet van hetzelfde offer.

De nadruk ligt voortdurend op het huis als verbondseenheid.

Wanneer daarom de besneden knecht van het Pesach mag eten, wordt hij niet als buitenstaander behandeld, maar als lid van het huis waartoe hij behoort.

5. De pelgrimsfeesten.

Ook bij de jaarlijkse feesten spreekt de Thora over het gehele huis.

Wanneer Israël optrekt naar de plaats die de HEER zal verkiezen, worden genoemd:

  • de vader;

  • de zoon;

  • de dochter;

  • de knecht;

  • de slavin;

  • de Leviet;

  • de vreemdeling;

  • de wees;

  • de weduwe.

De vreugde van de feesten is daarmee niet uitsluitend bestemd voor de vrije Israëliet, maar voor allen die rechtmatig deel uitmaken van het huis en de verbondsgemeenschap.


6. De offerdienst van het huisgezin.

De Thora legt de verantwoordelijkheid voor de offerdienst in beginsel bij het hoofd van het huis.

Hij beschikt over:

  • de kudden;

  • de runderen;

  • de schapen;

  • de geiten;

  • de eerstelingen;

  • de tienden.

De gekochte knecht bezit in de regel geen eigen land en geen eigen kudde.

De Schrift vermeldt daarom niet dat iedere knecht afzonderlijk een eigen offerdier moet bezitten.

Het ligt veeleer voor de hand dat de offerdienst plaatsvindt vanuit het huisgezin waarvan hij deel uitmaakt.

De heer des huizes brengt de voorgeschreven offers overeenkomstig de bepalingen van de Thora, terwijl de leden van zijn huis, waaronder de besneden knechten, delen in de offermaaltijden en de feestvreugde.

Deze gevolgtrekking wordt niet letterlijk door één tekst uitgesproken, maar sluit aan bij het huishoudelijke karakter van de eredienst zoals dat in de Thora zichtbaar wordt.

7. De verhouding tussen eigendom en Verbond.

De Thora laat hiermee een opmerkelijke rechtsorde zien.

De gekochte knecht is burgerlijk eigendom van zijn heer.

Toch behoort hij door de besnijdenis tot hetzelfde Verbond.

Zijn maatschappelijke afhankelijkheid verhindert dus niet dat hij cultisch deel uitmaakt van de gemeenschap die de HEER dient.

Hieruit blijkt opnieuw dat burgerlijk recht en verbondsrecht onderscheiden, maar nauw met elkaar verbonden rechtsgebieden zijn.


8. Het huisgezin als plaats van verbondsoverdracht.

Het huisgezin is in de Thora de eerste plaats waar het Verbond wordt beleefd.

Binnen het huis worden:

  • de kinderen opgevoed;

  • het Pesach gevierd;

  • de feesten voorbereid;

  • de geboden onderwezen;

  • de besnijdenis onderhouden.

Ook de blijvend opgenomen knecht deelt in deze verbondsgemeenschap.

Daardoor wordt het huisgezin de primaire drager van Gods Verbond binnen Israël.

Samenvattende conclusies.

Uit de onderzochte teksten kunnen de volgende gegevens worden vastgesteld.

1.

Genesis 17 verplicht zowel de huisgeborene als de met geld gekochte knecht tot de besnijdenis.

2.

De besnijdenis brengt de gekochte knecht binnen de verbondsgemeenschap van het huis.

3.

Exodus 12 verleent de besneden knecht het recht deel te nemen aan het Pesach.

4.

Het Pesach wordt gevierd als een huisgezinsoffer en niet als een individuele maaltijd.

5.

De pelgrimsfeesten worden gevierd door het gehele huis, waarbij ook knechten en andere leden van het huisgezin worden genoemd.

6.

De Thora presenteert de offerdienst primair als de verantwoordelijkheid van het hoofd van het huis, terwijl de overige leden van het huis delen in de offermaaltijden.

7.

De burgerlijke status van de knecht verandert niet, maar zijn verbondsstatus wel. Daardoor kan hij volledig deelnemen aan het religieuze leven van het huis waarin hij leeft.

Tussenconclusie.

De bestudering van Genesis 17 en Exodus 12 laat zien dat de Thora het huisgezin beschouwt als de fundamentele verbondseenheid van Israël. De besnijdenis opent voor de huisgeborene en de gekochte knecht de toegang tot het verbondsleven, zonder hun maatschappelijke positie noodzakelijkerwijs te wijzigen. Hierdoor wordt zichtbaar dat de rechtsorde van de Thora twee onderscheiden, maar samenhangende dimensies kent: de burgerlijke verhouding binnen het huis en de cultische gemeenschap van allen die door het Verbond aan de HEER zijn verbonden.

Deze waarneming vormt een belangrijke sleutel voor het verdere onderzoek naar de rechtspositie van de ger, de toshav en de geboren Israëliet in de volgende hoofdstukken.

Hoofdstuk 11

De Ger, de Toshav, de Nokhri en de Ezrach

Een onderzoek naar de juridische categorieën van de Thora.

Inleiding

Een zorgvuldig onderzoek van de Thora laat zien dat niet iedere niet-Israëliet onder dezelfde rechtscategorie valt. De Schrift gebruikt verschillende Hebreeuwse begrippen die elk een eigen juridische betekenis hebben. Wanneer deze begrippen met elkaar worden vereenzelvigd, ontstaan gemakkelijk spanningen tussen verschillende wetsgedeelten.

Daarom is het noodzakelijk de belangrijkste categorieën afzonderlijk te onderzoeken voordat hun onderlinge verhouding kan worden vastgesteld.

De vier belangrijkste begrippen zijn:

  • Ezrach (אֶזְרָח) – de geboren Israëliet;

  • Ger (גֵּר) – de vreemdeling die onder Israël verblijft;

  • Toshav (תּוֹשָׁב) – de inwonende of bijwonende vreemdeling;

  • Nokhri (נָכְרִי) – de buitenlandse vreemdeling die buiten de verbondsgemeenschap staat.

1. De Ezrach.

De ezrach is de geboren Israëliet.

Hij behoort van geboorte tot het verbondsvolk.

Hij bezit:

  • een erfdeel binnen een stam;

  • volledige burgerrechten;

  • volledige deelname aan de eredienst;

  • bescherming door de bepalingen van het Jubeljaar;

  • deelname aan de nationale vergaderingen van Israël.

Wanneer de Thora spreekt over "de geboren Israëliet", vormt hij de norm waarmee andere rechtsposities worden vergeleken.

2. De Ger

De ger is een vreemdeling die onder Israël verblijft.

Hij is geen toevallige passant.

Hij leeft duurzaam te midden van Israël en staat onder de bescherming van de wet.

De Thora kent hem onder meer:

  • recht op rechtvaardige rechtspraak;

  • bescherming tegen onderdrukking;

  • deelname aan de sabbatsrust;

  • toegang tot de vluchtsteden;

  • bescherming in sociale wetgeving.

Daarnaast laten verschillende teksten zien dat de ger onder bepaalde omstandigheden volledig gelijkgesteld kan worden aan de geboren Israëliet.

Zo bepaalt Exodus 12 dat de ger, na de besnijdenis en deelname aan het Pesach, wordt beschouwd "als een geboren Israëliet".

Ook Numeri 15 spreekt over "één wet" voor de geboren Israëliet en de ger die een offer brengt.

Hieruit blijkt dat de rechtspositie van de ger in de Thora niet in alle gevallen gelijk is, maar afhankelijk is van de context waarin hij wordt genoemd.

3. De Toshav

De term toshav beschrijft een inwonende of gevestigde vreemdeling.

In verschillende teksten verschijnt hij naast de ger, bijvoorbeeld in Genesis 23:4, waar Abraham zichzelf aanduidt als "ger we-toshav".

Leviticus 25 noemt de toshav eveneens in verband met verblijf en economische verhoudingen.

Binnen deze studie is de werkhypothese ontwikkeld dat de toshav de rechtspositie aanduidt van een vreemdeling die wel duurzaam onder Israël woont en de God van Israël erkent, maar nog niet volledig is opgenomen in het Mozaische Verbond.

Vanuit die hypothese kunnen verschillende wetsbepalingen met elkaar in verband worden gebracht, zoals:

  • Deuteronomium 14:21;

  • Exodus 12;

  • Leviticus 25.

De Thora spreekt deze reconstructie echter niet met zoveel woorden uit. Zij berust op de harmonisatie van meerdere passages en moet daarom als een exegetische hypothese worden onderscheiden van de expliciete tekstgegevens.

4. De Nokhri.

De nokhri is de buitenlandse vreemdeling die niet duurzaam tot Israëls gemeenschap behoort.

De Thora gebruikt deze aanduiding onder meer wanneer sprake is van:

  • handel met buitenlanders;

  • rente;

  • buitenlandse koningen;

  • personen die buiten de nationale gemeenschap staan.

De nokhri bezit geen burgerrechten binnen Israël zoals de ger.

Hij blijft juridisch verbonden met zijn eigen volk.

5. Burgerlijke rechtspositie.

Wanneer de vier categorieën worden vergeleken, ontstaat het volgende beeld.

De ezrach bezit de volledige burgerrechten.

De ger geniet een uitgebreide wettelijke bescherming.

De toshav bezit een duurzame verblijfstatus.

De nokhri staat buiten de burgerlijke gemeenschap van Israël.

De precieze omvang van de rechten van de toshav behoort tot de belangrijkste onderzoeksvragen van deze studie.

6. Verbondspositie.

Ook de verbondspositie verschilt.

De geboren Israëliet behoort van geboorte tot de verbondsgemeenschap.

Exodus 12 laat zien dat de ger door besnijdenis en deelname aan het Pesach als geboren Israëliet wordt beschouwd.

De nokhri behoort niet tot deze verbondsgemeenschap.

De rechtspositie van de toshav vormt juist het centrale onderwerp van deze studie. De vraag is of de Thora hem beschouwt als een vreemdeling die reeds onder Gods bescherming leeft, maar nog niet volledig aan de cultische bepalingen van het Verbond deelneemt.

7. Het onderscheid tussen burgerlijk recht en verbondsrecht.

Uit de voorgaande hoofdstukken is gebleken dat de Thora twee onderscheiden rechtsgebieden kent.

Enerzijds bestaat er het burgerlijk recht, dat verblijf, eigendom, arbeid, rechtspraak en maatschappelijke bescherming regelt.

Anderzijds bestaat het verbondsrecht, dat betrekking heeft op:

  • de besnijdenis;

  • het Pesach;

  • de offerdienst;

  • de reinheidswetten;

  • de pelgrimsfeesten.

Het is mogelijk dat een persoon op burgerlijk terrein bescherming geniet zonder reeds alle cultische rechten van de verbondsgemeenschap te bezitten.

Juist dit onderscheid vormt de sleutel tot verschillende wetsbepalingen die op het eerste gezicht moeilijk met elkaar te verenigen lijken.

8. Een mogelijke rechtsontwikkeling.

Wanneer de onderzochte teksten gezamenlijk worden gelezen, ontstaat de mogelijkheid van een juridische ontwikkeling.

Een vreemdeling kan:

  • als nokhri buiten Israël leven;

  • zich als ger of toshav duurzaam in Israël vestigen;

  • door toetreding tot het Verbond en de besnijdenis volledig worden opgenomen in de verbondsgemeenschap;

  • vervolgens overeenkomstig Exodus 12 worden beschouwd als een geboren Israëliet.

Deze ontwikkeling wordt niet als één doorlopende procedure in de Thora beschreven, maar zij vormt een mogelijke harmonisatie van de verschillende wetsbepalingen.

Samenvattende conclusie.

Uit het onderzoek kunnen de volgende gegevens worden vastgesteld.

1.

De Thora gebruikt verschillende juridische termen voor personen die niet tot de geboren Israëlieten behoren.

2.

De ezrach bezit de volledige burgerlijke en cultische rechten die aan het verbondsvolk verbonden zijn.

3.

De ger geniet een uitgebreide wettelijke bescherming en kan volgens Exodus 12 door besnijdenis en deelname aan het Pesach worden beschouwd als een geboren Israëliet.

4.

De nokhri blijft juridisch buiten de verbondsgemeenschap van Israël.

5.

De precieze betekenis van de toshav moet worden afgeleid uit meerdere wetsgedeelten en vormt een belangrijk onderwerp van verder onderzoek.

6.

Het onderscheid tussen burgerlijk recht en verbondsrecht helpt om de verschillende rechtsposities binnen de Thora nauwkeuriger te begrijpen.

Tussenconclusie.

De Thora onderscheidt meerdere juridische categorieën voor personen die zich ten opzichte van Israël in verschillende rechtsverhoudingen bevinden. Deze begrippen mogen niet zonder meer als synoniemen worden behandeld. Tegelijk laten de onderzochte teksten zien dat de rechtspositie van een vreemdeling niet uitsluitend wordt bepaald door zijn afkomst, maar ook door zijn verhouding tot het Verbond van de HEER.

De volgende hoofdstukken zullen deze rechtsposities nader onderzoeken aan de hand van het burgerlijk recht, het cultische recht, het economische recht en het familie- en erfrecht, zodat de onderlinge samenhang van de bepalingen van de Thora zo volledig mogelijk zichtbaar wordt.

Hoofdstuk 12

De burgerlijke rechtspositie van de Ger.

Bescherming, rechtspraak en maatschappelijke deelname binnen Israël

Inleiding.

De Thora openbaart de HEER niet alleen als de God van het Verbond, maar ook als de rechtvaardige Rechter van heel de aarde. Daarom bevat de wetgeving van Mozes niet uitsluitend bepalingen over de eredienst, maar ook een uitgebreide burgerlijke rechtsorde.

Binnen deze rechtsorde neemt de ger een bijzondere plaats in. Hoewel hij geen geboren Israëliet is, mag hij niet worden behandeld als een rechteloze vreemdeling. De wet beschermt hem op tal van terreinen van het maatschappelijk leven.

Dit hoofdstuk onderzoekt uitsluitend deze burgerlijke rechtspositie. De cultische bepalingen over besnijdenis, Pesach, offers en reinheidswetten zullen in een later hoofdstuk afzonderlijk worden behandeld.

1. Gelijke rechtspraak.

De Thora verbiedt iedere vorm van rechtsongelijkheid.

Recht mag niet afhangen van afkomst.

Daarom bepaalt de wet dat één recht zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de ger die onder Israël verblijft.

Hieruit blijkt dat de ger toegang bezit tot dezelfde rechterlijke bescherming als iedere andere inwoner van het land.

De rechter mag geen onderscheid maken op grond van geboorte.

2. Verbod op onderdrukking.

Meermalen waarschuwt de Thora:

"U mag de ger niet onderdrukken."

Deze bepaling behoort tot de meest herhaalde sociale geboden.

De reden wordt eveneens genoemd.

Israël kende zelf het leven als vreemdeling in Egypte.

Juist daarom moet Israël de vreemdeling met rechtvaardigheid behandelen.

Deze bescherming behoort tot het burgerlijk recht.

3. Bescherming tegen uitbuiting.

De Thora beschermt zwakkeren in de samenleving.

Daaronder worden vaak gezamenlijk genoemd:

  • de ger;

  • de wees;

  • de weduwe.

Hiermee laat de wet zien dat de ger behoort tot degenen die bijzondere rechtsbescherming genieten.

Deze bescherming betreft onder meer:

  • eerlijke behandeling;

  • economische bescherming;

  • toegang tot voedselvoorzieningen;

  • bescherming tegen misbruik van macht.

4. Deelname aan de sabbatsrust.

Ook binnen het maatschappelijke leven deelt de ger in de rust van de Sabbat.

De Thora bepaalt dat:

  • de zoon;

  • de dochter;

  • de knecht;

  • de slavin;

  • het vee;

  • de ger binnen de poorten;

allen rust moeten ontvangen.

De Sabbat beschermt daarmee niet alleen de geboren Israëliet, maar iedere inwoner van het land.

Deze bepaling heeft een duidelijke maatschappelijke betekenis.

Ook de werkgever wordt hierdoor beperkt in zijn gezag.

5. De vluchtsteden.

Numeri 35 bepaalt dat de vluchtsteden openstaan voor:

  • de Israëliet;

  • de ger;

  • de toshav.

Hieruit blijkt dat ook de vreemdeling toegang bezit tot de bescherming van het strafrecht.

Het recht op een eerlijk onderzoek naar doodslag wordt hem niet ontzegd.

De bescherming van het leven behoort daarmee tot de fundamentele burgerrechten die de Thora waarborgt.

6. Armenzorg.

De Thora verplicht de landeigenaar een deel van zijn oogst te laten staan.

De nalezing behoort toe aan:

  • de arme;

  • de ger;

  • de wees;

  • de weduwe.

Ook het sabbatsjaar draagt een sociaal karakter.

De opbrengst die vanzelf groeit, mag worden gegeten door hen die daarvan afhankelijk zijn.

Hierdoor voorkomt de wet dat de vreemdeling geheel zonder bestaansmiddelen raakt.

7. Loon en arbeid.

De burgerlijke wetgeving beschermt de arbeider.

Loon mag niet onrechtmatig worden achtergehouden.

Hoewel de Thora deze bepaling algemeen formuleert, behoort ook de ger tot degenen die onder de rechtsbescherming van de wet vallen.

Arbeid mag daarom niet leiden tot willekeurige uitbuiting.

8. Onpartijdigheid.

De rechter mag zich niet laten leiden door:

  • rijkdom;

  • armoede;

  • afkomst;

  • aanzien des persoons.

Recht behoort uitsluitend te worden uitgesproken overeenkomstig de waarheid.

Daarom kan ook de ger een beroep doen op dezelfde rechtsorde als de geboren Israëliet.

9. Liefde voor de Ger.

Leviticus 19 bevat een opvallend gebod.

Israël moet de ger liefhebben als zichzelf.

De reden luidt opnieuw:

"Want u bent zelf vreemdelingen geweest in Egypte."

Hier overstijgt de wet de minimale eisen van het recht.

Niet slechts het vermijden van onderdrukking wordt gevraagd.

Ook daadwerkelijke naastenliefde behoort tot de burgerlijke omgang met de vreemdeling.

10. Burgerlijke bescherming en verbondspositie.

De burgerlijke bescherming van de ger betekent niet automatisch dat iedere ger reeds volledig tot het Mozaische Verbond behoort.

Juist dit onderscheid is in de voorgaande hoofdstukken naar voren gekomen.

De burgerlijke rechtsorde beschermt allen die duurzaam onder Israël wonen.

De cultische rechtsorde regelt afzonderlijk wie onder welke voorwaarden mag deelnemen aan:

  • het Pesach;

  • de offerdienst;

  • de reinheidsvoorschriften;

  • de pelgrimsfeesten.

Door beide rechtsgebieden van elkaar te onderscheiden, ontstaat een samenhangende uitleg van de verschillende bepalingen van de Thora.

Samenvattende conclusies

Uit de burgerlijke wetgeving kunnen de volgende gegevens worden vastgesteld.

1.

De ger geniet bescherming onder dezelfde rechtsorde als de geboren Israëliet.

2.

Onderdrukking van de ger wordt uitdrukkelijk verboden.

3.

De ger deelt in de sociale bescherming van de Thora.

4.

Ook de ger heeft recht op de sabbatsrust.

5.

De vluchtsteden staan open voor de Israëliet, de ger en de toshav.

6.

De ger deelt in de armenzorg en de voorzieningen voor maatschappelijk kwetsbaren.

7.

De burgerlijke bescherming van de ger mag niet zonder meer worden vereenzelvigd met volledige opname in het Mozaische Verbond.

Tussenconclusie.

De burgerlijke wetgeving van de Thora laat zien dat de ger geen rechteloze vreemdeling is. De HEER stelt hem onder de bescherming van dezelfde rechtsorde die ook de geboren Israëliet beschermt. Rechtspraak, sabbatsrust, sociale zorg, toegang tot de vluchtsteden en bescherming tegen onderdrukking behoren tot zijn burgerlijke rechten.

Tegelijk blijkt uit de bredere samenhang van de Thora dat burgerlijke bescherming niet zonder meer samenvalt met de cultische rechten van de verbondsgemeenschap. Juist het onderscheid tussen burgerlijk recht en verbondsrecht maakt het mogelijk de verschillende wetsbepalingen met elkaar in overeenstemming te lezen, zonder de eigen betekenis van iedere tekst uit het oog te verliezen.

Hoofdstuk 13

De cultische rechtspositie van de Ger.

Besnijdenis, reinheid, offers en de nadering tot de HEER

Inleiding.

Naast de burgerlijke rechtsorde kent de Thora een cultische rechtsorde. Deze regelt niet het maatschappelijke leven, maar de wijze waarop de mens de HEER mag naderen.

Binnen deze cultische rechtsorde zijn niet alle bepalingen automatisch van toepassing op iedere inwoner van Israël. De Thora verbindt de toegang tot de eredienst aan door God gestelde voorwaarden, waaronder de besnijdenis, rituele reinheid en het onderhouden van de voorschriften die voor de offerdienst gelden.

Dit hoofdstuk onderzoekt de cultische positie van de ger aan de hand van de belangrijkste wetsgedeelten.

1. De besnijdenis als toegang tot het Verbond.

Genesis 17 noemt de besnijdenis het blijvende teken van Gods Verbond.

Dit gebod geldt niet alleen voor Abraham en zijn natuurlijke nakomelingen, maar eveneens voor:

  • de huisgeborene;

  • de met geld gekochte knecht.

De besnijdenis is daarom geen etnisch kenmerk, maar het zichtbare teken van opname in de verbondsgemeenschap.

2. Het Pesach.

Exodus 12 vormt het uitgangspunt voor de cultische positie van de ger.

De wet bepaalt:

  • geen onbesnedene mag van het Pesach eten;

  • de met geld gekochte knecht mag daarvan eten nadat hij is besneden;

  • de ger die het Pesach wil vieren, moet eerst worden besneden;

  • daarna geldt voor hem dezelfde wet als voor de geboren Israëliet.

De tekst laat zien dat de besnijdenis voorafgaat aan deelname aan de verbondsmaaltijd.

Daarmee vormt zij de juridische toegang tot deze cultische gemeenschap.

3. Rituele reinheid.

De Thora verbindt de nadering tot de HEER voortdurend aan rituele reinheid.

Wie een offer brengt of deelneemt aan de heilige eredienst, moet zich houden aan de reinheidsvoorschriften die God heeft gegeven.

Leviticus 11–15, Leviticus 17, Leviticus 22 en Numeri 19 maken duidelijk dat onreinheid niet slechts een persoonlijke toestand is, maar gevolgen heeft voor de toegang tot het heiligdom.

Reinheid behoort daarom wezenlijk tot het leven binnen het Verbond.

4. De offerdienst.

Het Verbond bij de Sinaï wordt bekrachtigd met offers.

Vanaf dat moment vormt de offerdienst een wezenlijk onderdeel van de gemeenschap tussen God en Zijn volk.

Offers zijn niet slechts vrijwillige uitingen van dankbaarheid.

De Thora kent ook verplichte offers die behoren tot het verbondsleven.

Wie tot het Verbond behoort, ontvangt daarom niet alleen rechten, maar ook cultische verplichtingen.

5. Niet voor het aangezicht van de HEER verschijnen met lege handen.

Bij de pelgrimsfeesten bepaalt de Thora dat niemand voor het aangezicht van de HEER verschijnt met lege handen.

Het naderen tot God geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de wet.

De eredienst bestaat daarom uit meer dan gebed alleen.

De door God voorgeschreven offers vormen een wezenlijk onderdeel van de ontmoeting tussen God en Zijn volk.

6. De gekochte knecht.

Genesis 17 en Exodus 12 laten samen zien dat een gekochte knecht eerst moet worden besneden.

Pas daarna mag hij deelnemen aan het Pesach.

De Thora kent geen blijvende situatie waarin een gekochte knecht onbesneden deel uitmaakt van de cultische gemeenschap van het huis.

De volgorde is duidelijk:

  • kopen;

  • besnijden;

  • deelnemen aan de verbondsmaaltijd.

De gehuurde arbeider staat daarentegen buiten deze regeling.

Omdat hij niet blijvend tot het huis behoort, rust op de heer des huizes geen gebod hem te besnijden.

Hij neemt daarom ook niet deel aan het Pesach.

7. Numeri 15.

Numeri 15 behandelt de ger die een offer aan de HEER brengt.

Daar wordt verklaard:

"Eén wet en één verordening zal voor u gelden en voor de ger die bij u verblijft."

De tekst laat zien dat de ger die overeenkomstig de wet de HEER nadert, onder dezelfde cultische bepalingen valt als de geboren Israëliet.

8. Grote Verzoendag.

Op Grote Verzoendag bepaalt de Thora dat zowel de geboren Israëliet als de ger zichzelf moeten verootmoedigen.

Beiden vallen onder dezelfde heilige verplichting.

De dag van verzoening behoort daarmee tot de cultische orde waaraan ook de ger deelneemt.

Binnen de opbouw van deze studie past dit bij de gedachte dat de ger die onder het Verbond leeft, ook onder de cultische verplichtingen van dat Verbond valt.

9. Jesaja 56.

Jesaja spreekt over de vreemdelingen die zich aan de HEER verbonden hebben.

Van hen wordt gezegd dat hun brandoffers en slachtoffers welgevallig zullen zijn op Gods altaar.

Hieruit blijkt dat de vreemdeling die zich aan de HEER verbindt niet slechts mag bidden, maar ook deelneemt aan de door God ingestelde offerdienst.

De profeet noemt uitdrukkelijk:

  • het altaar;

  • de offers;

  • de gemeenschap met Gods huis.

10. De verhouding tussen burgerlijk recht en cultisch recht.

Niet iedere burgerlijke bepaling heeft automatisch cultische gevolgen.

Iemand kan burgerlijke bescherming genieten zonder reeds alle cultische rechten van de verbondsgemeenschap te bezitten.

De Thora behandelt deze twee rechtsgebieden afzonderlijk.

Binnen deze studie is de werkhypothese ontwikkeld dat de volledige cultische gelijkstelling van de ger samenhangt met zijn opname in het Verbond door de besnijdenis, zoals Exodus 12 beschrijft.

Deze conclusie berust op de gezamenlijke lezing van Genesis 17, Exodus 12, Numeri 15, Jesaja 56 en andere relevante passages.

Samenvattende conclusies.

Uit de cultische wetgeving kunnen de volgende gegevens worden vastgesteld.

1.

De besnijdenis vormt het zichtbare teken van opname in het Verbond.

2.

Het Pesach mag uitsluitend worden gevierd overeenkomstig de door God gestelde voorwaarden.

3.

De gekochte knecht wordt eerst besneden en neemt daarna deel aan de verbondsmaaltijd.

4.

De gehuurde arbeider behoort niet tot deze regeling.

5.

Rituele reinheid behoort wezenlijk tot het naderen tot de HEER.

6.

De offerdienst vormt een onmisbaar onderdeel van het leven binnen het Verbond.

7.

Numeri 15 bevestigt dat voor de ger die overeenkomstig de wet een offer brengt, dezelfde cultische bepalingen gelden als voor de geboren Israëliet.

8.

Jesaja 56 laat zien dat de vreemdeling die zich aan de HEER verbindt, welkom is met zijn offers op Gods altaar.

Tussenconclusie.

De cultische rechtsorde van de Thora maakt duidelijk dat de gemeenschap met de HEER niet uitsluitend wordt bepaald door verblijf in het land, maar door toetreding tot de door God ingestelde verbondsorde. Besnijdenis, rituele reinheid, deelname aan het Pesach en de offerdienst vormen samen één geheel. Wie overeenkomstig Gods bepalingen tot deze gemeenschap toetreedt, ontvangt niet alleen het voorrecht de HEER te naderen, maar ook de verantwoordelijkheid Zijn heilige voorschriften te onderhouden.

De onderscheiden behandeling van burgerlijk recht en cultisch recht helpt de verschillende bepalingen over de ger in hun eigen context te verstaan en vormt daarmee een belangrijk uitgangspunt voor het verdere onderzoek naar de economische en familierechtelijke positie van de vreemdeling binnen de rechtsorde van de Thora.

Hoofdstuk 14

De economische rechtspositie van de Ger Toshav.

Leviticus 25, het Sabbatjaar en het Jubeljaar

Inleiding.

Leviticus 25 behoort tot de belangrijkste hoofdstukken van de Thora voor het begrijpen van de economische rechtsorde binnen Israël. Het hoofdstuk behandelt de rust van het land, het behoud van erfbezit, het recht van lossing, dienstbaarheid en het herstel in het Jubeljaar.

Binnen deze bepalingen wordt ook gesproken over de ger-toshav, de inwonende vreemdeling die binnen Israël verblijft. Juist deze passage is van groot belang, omdat zij laat zien dat de Thora onderscheid maakt tussen iemand die als vreemdeling binnen Israël woont en de Israëliet die als broeder tot het verbondsvolk behoort.

1. Het land behoort aan de HEER.

Het fundament van Leviticus 25 is:

"Het land mag niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij."

(Leviticus 25:23)

Israël bezit het land niet als absoluut eigendom.

De HEER is de Eigenaar.

Daarom is het bezit van het land verbonden aan:

  • families;

  • stammen;

  • erfdeel;

  • het herstel in het Jubeljaar.

Geen economische macht mag uiteindelijk Gods orde van erfbezit vernietigen.

2. Het Sabbatjaar.

Elke zevende jaar moet het land rusten.

Het land mag niet op dezelfde wijze worden bebouwd als in de zes voorafgaande jaren.

De opbrengst van het land is in dat jaar beschikbaar voor:

  • de eigenaar;

  • de knecht;

  • de slavin;

  • de dagloner;

  • de inwonende vreemdeling (toshav);

  • het vee;

  • het wild.

Het Sabbatjaar toont daarmee Gods zorg voor de gehele samenleving.

3. Het Jubeljaar.

Na zeven sabbatscycli volgt het vijftigste jaar.

Het Jubeljaar herstelt:

  • het verkochte erfdeel;

  • de familiebezittingen;

  • de vrijheid van Israëlieten die zichzelf wegens armoede hadden verkocht.

De reden hiervoor is dat Israël uiteindelijk niet zichzelf toebehoort, maar de HEER.

4. De verarmde Israëliet.

Wanneer een Israëliet verarmt, blijft hij juridisch een broeder.

De Thora verbiedt dat hij behandeld wordt als een gewone slaaf.

Hij mag dienen tot het Jubeljaar, maar zijn vrijheid blijft gewaarborgd.

Zijn economische nood mag zijn plaats binnen Israël niet vernietigen.

5. De rijke Ger Toshav.

Leviticus 25:47 beschrijft vervolgens een andere situatie.

De tekst spreekt over:

ger we-toshav immach

oftewel:

"de inwonende vreemdeling die bij u woont."

De grammaticale constructie wijst niet noodzakelijk op twee afzonderlijke groepen, maar op één juridische aanduiding:

de ger-toshav.

Dit is de vreemdeling die:

  • duurzaam in Israël woont;

  • onder de bescherming van de wet staat;

  • economische mogelijkheden bezit;

  • maar onderscheiden blijft van de geboren Israëliet.

De tekst zegt:

"Wanneer de hand van de ger-toshav bij u rijk geworden is en uw broeder verarmt..."

Hier wordt bewust onderscheid gemaakt tussen:

  • uw broeder — de Israëliet;

  • de ger-toshav — de inwonende vreemdeling.

6. De betekenis van het onderscheid.

Deze passage laat zien dat economische positie en verbondspositie niet automatisch hetzelfde zijn.

De ger-toshav kan:

  • rijk worden;

  • bezit verwerven;

  • een Israëliet in dienst hebben overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

Maar hij wordt in de tekst nog onderscheiden van de Israëliet.

Daarom kan deze categorie niet zonder meer gelijkgesteld worden aan iemand die reeds volledig als geboren Israëliet wordt beschouwd.

7. De verhouding tot Genesis 17.

Genesis 17 laat zien dat de besnijdenis het teken van het Verbond is.

Wie tot het Verbond toetreedt, ontvangt niet alleen een nieuw teken, maar wordt opgenomen in de verbondsgemeenschap.

Exodus 12 bevestigt dat de besneden ger die Pesach viert, behandeld wordt als de geboren Israëliet.

Daarom moet onderscheid worden gemaakt tussen:

De ger-toshav

  • woont in Israël;

  • geniet bescherming;

  • heeft maatschappelijke en economische rechten;

  • wordt nog onderscheiden van de geboren Israëliet.

De toegetreden ger

  • draagt het verbondsteken;

  • neemt deel aan de verbondsmaaltijden;

  • valt onder dezelfde verbondsverplichtingen als de geboren Israëliet.

Wanneer de ger volledig tot het Verbond is toegetreden, kan hij niet langer als een afzonderlijke buitenlandse categorie tegenover Israël worden geplaatst.

8. Als de Ger tot het Verbond behoort.

Wanneer iemand door besnijdenis volledig tot het Verbond toetreedt, verandert zijn juridische positie.

Hij wordt volgens Exodus 12:48-49 behandeld overeenkomstig de wet van de geboren Israëliet.

Daarom gelden voor hem de bepalingen betreffende de Israëlitische broeder.

Indien hij een Israëliet in dienst zou hebben, zou deze verhouding niet vallen onder de regeling van de ger-toshav, maar onder de regels die gelden voor een Israëliet die zich wegens armoede verkoopt.

9. De verbinding met Ezechiël 47.

Ezechiël 47 spreekt over een toekomstige situatie waarin de ger die onder Israël woont een erfdeel ontvangt.

Daar wordt gezegd dat hij een erfdeel zal ontvangen onder de stammen van Israël.

Deze passage laat een ontwikkeling zien:

  • verblijf onder Israël;

  • verbondenheid met Israël;

  • uiteindelijk opname in het erfdeel van Israël.

Het ontvangen van een erfdeel betekent een diepere integratie dan alleen verblijf in het land.

10. Economische rechten en verbondsrechten.

Leviticus 25 toont dat de Thora verschillende rechtsgebieden onderscheidt.

De ger-toshav kan:

  • wonen in Israël;

  • bescherming genieten;

  • economische rechten hebben.

Maar de volledige verbondsrechten hangen samen met toetreding tot het Verbond.

Daarom moeten burgerlijke, economische en cultische bepalingen zorgvuldig van elkaar worden onderscheiden.

Samenvattende conclusies.

1.

Leviticus 25:47 spreekt grammaticaal waarschijnlijk over één categorie: de ger-toshav, de inwonende vreemdeling.

2.

Deze persoon wordt onderscheiden van "uw broeder", de Israëliet.

3.

De ger-toshav kan rijk worden en economische invloed verkrijgen.

4.

Een verarmde Israëliet die zich aan hem verkoopt, blijft echter onder de beschermende bepalingen van de Thora vallen.

5.

Een ger die door besnijdenis volledig tot het verbond toetreedt, wordt volgens Exodus 12 behandeld als de geboren Israëliet.

6.

De overgang van ger-toshav naar volledige verbondsgemeenschap heeft gevolgen voor zijn juridische positie.

7.

Ezechiël 47 laat zien dat het ontvangen van erfdeel binnen Israël het hoogtepunt vormt van deze opname.

Tussenconclusie.

Leviticus 25 laat zien dat de economische orde van Israël ruimte biedt voor de inwonende vreemdeling zonder dat daarmee automatisch zijn volledige gelijkstelling met de geboren Israëliet wordt bedoeld. De ger-toshav kan wonen, werken, bezit verwerven en economische verantwoordelijkheid dragen, maar blijft in de tekst onderscheiden van "zijn broeder".

De Thora maakt daarmee een zorgvuldig onderscheid tussen verblijf binnen Israël en volledige opname in de verbondsgemeenschap. De besnijdenis en de toetreding tot het Verbond vormen de overgang waardoor de vreemdeling volgens Exodus 12 als de geboren Israëliet wordt behandeld.

Hoofdstuk 15

De Ger, familieverband en erfdeel in Israël.

Van vreemdelingschap naar opname binnen de stammen

Inleiding.

De Thora verbindt identiteit, familie en bezit nauw met elkaar. Binnen Israël is het land niet slechts een economische eigendom, maar een erfdeel dat door God aan de stammen en families van Israël is gegeven.

Daarom is de vraag naar de positie van de ger niet alleen een vraag naar verblijf of burgerlijke rechten, maar ook naar de mogelijkheid van opname binnen de familie- en stamstructuur van Israël.

De belangrijkste teksten hiervoor zijn:

  • Genesis 12–17;

  • Numeri 26–36;

  • Leviticus 25;

  • Ruth;

  • Ezechiël 47.

1. Israël als familie van de twaalf stammen.

De identiteit van Israël is gebaseerd op de twaalf zonen van Jakob.

God verandert de naam van Jakob in Israël:

"Uw naam zal niet meer Jakob genoemd worden, maar Israël."

(Genesis 32:28)

De nakomelingen van deze twaalf zonen vormen de stammen van Israël.

Daarom wordt het land verdeeld:

  • niet willekeurig;

  • niet individueel;

  • maar volgens stammen en families.

Het erfdeel is verbonden met afkomst en familieverband.

2. Het erfdeel van de vader.

Binnen de Thora wordt het familiebezit doorgegeven via de vaderlijke lijn.

Dit blijkt duidelijk uit Numeri 27 en Numeri 36, bij de dochters van Zelafead.

Zij hadden geen broers en dreigden daardoor het erfdeel van hun vader te verliezen.

God bepaalt dat zij het erfdeel mogen ontvangen.

Maar vervolgens wordt bepaald dat zij moeten trouwen binnen de stam van hun vader.

Waarom?

Omdat:

"Het erfdeel van de Israëlieten niet van stam naar stam zal overgaan."

(Numeri 36:7)

Het bezit blijft verbonden aan de vaderlijke stam.

3. De betekenis voor de identiteit van de Ger.

Deze stamstructuur verklaart waarom de toetreding van een vreemdeling tot Israël meer inhoudt dan alleen verblijf.

Een inwonende vreemdeling kan deel uitmaken van de samenleving, maar het ontvangen van een erfdeel betekent opname binnen de structuur van Israël.

Erfdeel betekent:

  • familieverband;

  • stamverband;

  • blijvende verbondenheid met het land.

4. Ruth als voorbeeld.

Het boek Ruth vormt een belangrijk voorbeeld.

Ruth is afkomstig uit Moab.

Toch zegt zij tegen Naomi:

"Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God."

(Ruth 1:16)

Zij verlaat haar oorspronkelijke volk en verbindt zich met Israël.

Daarna trouwt zij met Boaz.

Uit dit huwelijk wordt Obed geboren, de vader van Isaï.

De Schrift presenteert Ruth niet meer als iemand die buiten Israël staat, maar als iemand die volledig deel krijgt aan de geschiedenis van Israël.

5. Het onderscheid met Moabitische mannen.

De Thora maakt onderscheid tussen afkomst en individuele toetreding.

De Moabitische man had volgens Deuteronomium 23 een bijzondere beperking met betrekking tot toetreding tot de gemeente van de HEER.

Daar staat tegenover dat Ruth als vrouw uit Moab wel wordt opgenomen.

Dit laat zien dat de Schrift niet eenvoudig iedere vreemdeling gelijk behandelt, maar kijkt naar:

  • afkomst;

  • verbondsverhouding;

  • persoonlijke verbondenheid met de HEER.

6. Huwelijk en identiteit.

Binnen de Bijbelse genealogieën wordt de identiteit van het volk doorgaans via de vaderlijke lijn weergegeven.

De zoon wordt verbonden aan:

  • zijn vader;

  • zijn stam;

  • zijn erfdeel.

Daarom speelt het huwelijk een belangrijke rol binnen de instandhouding van de stammen.

Een huwelijk buiten de verbondsgemeenschap kon leiden tot het verlies van de religieuze identiteit van het gezin.

Dit verklaart de ernst waarmee Ezra en Nehemia optreden tegen huwelijken met vrouwen die de afgoden dienden.

7. Ezra en de buitenlandse vrouwen.

Na de terugkeer uit Babylon wordt Israël geconfronteerd met huwelijken met vrouwen uit de volken rondom.

De zorg van Ezra is niet uitsluitend etnisch, maar vooral religieus.

De vrouwen hadden hun eigen goden en dreigden het volk af te trekken van de aanbidding van de HEER.

Dit sluit aan bij de waarschuwingen uit Deuteronomium.

Het centrale probleem is daarom niet afkomst alleen, maar verbondenheid met de God van Israël.

8. Salomo als voorbeeld.

Ook Salomo laat dit gevaar zien.

Hij had vele buitenlandse vrouwen.

De Schrift veroordeelt niet slechts hun afkomst, maar vooral dat:

"Zijn vrouwen zijn hart deden afwijken naar andere goden."

(1 Koningen 11)

Het probleem was afgoderij.

Een vreemdeling die de HEER dient wordt anders behandeld dan iemand die Israël binnenkomt met zijn afgoden.

9. Ezechiël 47 en het erfdeel van de Ger.

Ezechiël 47 bevat een bijzondere profetische bepaling.

Daar wordt gesproken over de ger die onder Israël woont:

"U zult hem zijn erfdeel geven onder de stammen van Israël."

(Ezechiël 47:22)

Dit is een opvallende tekst.

De ger ontvangt niet slechts bescherming of verblijf.

Hij ontvangt:

  • land;

  • erfdeel;

  • plaats binnen de stammen.

De tekst zegt bovendien:

"Hij zal beschouwd worden als een ingeborene onder de Israëlieten."

(Ezechiël 47:22)

Hier zien wij het hoogste niveau van opname.

10. De ontwikkeling van de rechtspositie.

Wanneer de teksten gezamenlijk worden gelezen, ontstaat een ontwikkeling:

Eerste fase

De vreemdeling woont onder Israël:

  • bescherming;

  • recht;

  • verblijf.

Dit is de positie van de ger-toshav.

Tweede fase

De vreemdeling treedt toe tot het Verbond:

  • besnijdenis;

  • deelname aan Pesach;

  • één wet met Israël.

Derde fase

De vreemdeling ontvangt erfdeel:

  • stamverband;

  • familiepositie;

  • blijvende plaats in Israël.

Ezechiël 47 beschrijft deze laatste ontwikkeling.

11. Familie en Verbond.

Het ontvangen van erfdeel betekent niet slechts bezit ontvangen.

Het betekent opgenomen worden in de structuur die God vanaf Abraham en Jakob heeft ingesteld.

De belofte aan Abraham:

"Ik zal u tot een groot volk maken"

wordt concreet zichtbaar in:

  • stammen;

  • families;

  • erfbezit.

Daarom is erfdeel het uiterlijke teken van volledige verbondenheid met Israël.

Samenvattende conclusies.

1.

Israël is opgebouwd uit twaalf stammen die hun identiteit ontlenen aan Jakob en zijn zonen.

2.

Het erfdeel is verbonden met familie en vaderlijke stamstructuur.

3.

De ger-toshav kan in Israël wonen en bescherming ontvangen zonder automatisch een stam-erfdeel te bezitten.

4.

De toetreding tot het Verbond brengt de vreemdeling dichter bij volledige gelijkstelling.

5.

Ezechiël 47 beschrijft een situatie waarin de ger een erfdeel ontvangt onder de stammen van Israël.

6.

Het ontvangen van erfdeel betekent volledige opname binnen de structuur van Israël.

7.

De Schrift maakt onderscheid tussen vreemdelingen die de HEER dienen en vreemdelingen die hun afgoden behouden.

Tussenconclusie.

De vraag naar de plaats van de ger binnen Israël kan niet los worden gezien van familie, stam en erfdeel. De Thora laat zien dat verblijf in het land en bescherming onder de wet niet hetzelfde zijn als het ontvangen van een erfdeel binnen Israël.

De weg van de vreemdeling naar volledige opname loopt daarom niet alleen via wonen in het land, maar via verbondenheid met de HEER, toetreding tot Zijn Verbond en uiteindelijk opname binnen de structuur van Gods volk.

Ezechiël 47 vormt hierbij een bijzonder getuigenis: de ger die door God wordt opgenomen, ontvangt uiteindelijk niet slechts bescherming, maar een plaats onder de stammen van Israël.

Hoofdstuk 16

De juridische ontwikkeling van de Ger binnen de Thora

Van vreemdelingschap naar volledige opname in Israël

Inleiding.

De Thora gebruikt het woord ger niet als een eenvoudige aanduiding voor iedere buitenlander. Het begrip krijgt betekenis binnen de relatie tussen de vreemdeling en Israël.

Daarom is het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen verschillende fasen van verbondenheid.

De Schrift kent enerzijds de vreemdeling die buiten Israël staat, maar anderzijds ook de vreemdeling die zich binnen Israël vestigt, bescherming ontvangt en eventueel toetreedt tot de verbondsgemeenschap.

De positie van de ger moet daarom niet vanuit één enkele tekst worden bepaald, maar vanuit het geheel van de Thora.

1. De oorsprong van het vreemdelingschap: Abraham

De eerste persoon die zichzelf in de Schrift aanduidt als:

"ger en toshav"

is Abraham.

In Genesis 23:4 zegt Abraham:

"Ik ben een vreemdeling en bijwoner bij u."

Abraham woont in het land van de belofte, maar bezit het land nog niet als erfdeel.

Hij heeft een bijzondere positie:

  • hij woont onder de inwoners van Kanaän;

  • hij is door God geroepen;

  • hij leeft vanuit de belofte;

  • hij wacht op de vervulling van Gods woord.

Zijn situatie vormt een belangrijk patroon voor het begrijpen van de ger.

2. De roeping van Abraham.

Abrahams weg begint buiten het land.

Hij komt uit een omgeving waarin afgoderij aanwezig is.

God roept hem om zijn land en familiehuis te verlaten.

Daarmee ontstaat een overgang:

  • van de volken naar de roeping van God;

  • van vreemdelingschap naar Verbond;

  • van verblijf naar belofte.

Genesis 17 vormt het beslissende moment.

God sluit Zijn Verbond met Abraham en geeft de besnijdenis als teken van dit Verbond.

3. De besnijdenis als juridische overgang

De besnijdenis vormt binnen de Thora het zichtbare teken van toetreding tot het Verbond.

Genesis 17 bepaalt dat ook de gekochte knecht die tot Abrahams huis behoort, besneden moet worden.

Hieruit blijkt dat de verbondsgemeenschap niet uitsluitend gebaseerd is op geboorte, maar ook op opname overeenkomstig Gods voorschrift.

De besnijdenis verandert daarmee de positie van iemand binnen Gods verbondsorde.

4. De ger-toshav

Niet iedere vreemdeling die in Israël woont, bevindt zich automatisch in dezelfde positie.

De Thora kent de categorie:

ger-toshav

De inwonende vreemdeling.

Deze persoon:

  • woont binnen Israël;

  • geniet bescherming van de wet;

  • valt onder bepaalde maatschappelijke voorschriften;

  • wordt onderscheiden van de geboren Israëliet.

Leviticus 25:47 laat dit onderscheid zien wanneer de ger-toshav wordt geplaatst tegenover:

"uw broeder."

5. Burgerlijke bescherming

De ger-toshav ontvangt belangrijke rechten.

Hij staat onder bescherming van:

  • de rechtspraak;

  • de sabbatsrust;

  • sociale bepalingen;

  • bescherming tegen onderdrukking.

De Thora verbiedt Israël om de vreemdeling te verdrukken.

De reden is:

"Want u bent vreemdelingen geweest in Egypte."

De herinnering aan Israëls eigen vreemdelingschap wordt de basis voor rechtvaardigheid.

6. De overgang naar het Verbond.

Exodus 12 geeft een beslissende bepaling.

De ger die Pesach wil vieren, moet eerst worden besneden.

Daarna geldt:

"Hij zal zijn als een ingeborene van het land."

Deze tekst vormt een sleutel voor het begrijpen van de overgang.

De vreemdeling blijft niet in een tussenpositie.

Door toetreding tot het Verbond ontvangt hij dezelfde cultische verplichtingen en verantwoordelijkheden als de geboren Israëliet.

7. De cultische verantwoordelijkheid.

Toetreding tot het verbond betekent niet slechts rechten ontvangen.

Het betekent ook verantwoordelijkheid.

Wie tot de verbondsgemeenschap behoort:

  • moet reinheid onderhouden;

  • moet Gods geboden volgen;

  • kan deelnemen aan de offers;

  • nadert tot God overeenkomstig de voorschriften van de Thora.

De toegang tot het heilige gaat altijd samen met heiliging.

8. De economische positie.

Leviticus 25 toont dat de ger-toshav economische mogelijkheden kan hebben.

Hij kan:

  • bezit verwerven;

  • rijk worden;

  • een Israëliet in dienst hebben overeenkomstig de wet.

Maar deze economische positie betekent niet automatisch dat hij reeds een erfdeel onder de stammen bezit.

Daarin blijft verschil tussen:

  • wonen in Israël;

  • behoren tot de stamstructuur van Israël.

9. Erfdeel als hoogste vorm van opname

Ezechiël 47 beschrijft een bijzondere situatie.

De ger ontvangt een erfdeel onder de stammen van Israël.

Dit betekent meer dan bescherming.

Erfdeel betekent:

  • verbondenheid met het land;

  • plaats binnen de stammen;

  • blijvende opname.

De vreemdeling wordt niet slechts gast in Israël, maar ontvangt een plaats binnen de door God ingestelde structuur.

10. Het verschil tussen afkomst en aanbidding.

De Thora maakt geen eenvoudig onderscheid tussen:

  • Israëliet;

  • buitenlander.

Het beslissende onderscheid is uiteindelijk de relatie tot de HEER.

Daarom worden:

  • Ruth;

  • de vreemdeling die de HEER zoekt;

anders behandeld dan:

  • volken die Israël tot afgoderij verleiden.

Het probleem bij de buitenlandse vrouwen in de tijd van Ezra en Salomo was niet uitsluitend afkomst, maar de aanbidding van andere goden.

11. Het patroon van de Thora.

De verschillende teksten laten een ontwikkeling zien.

Fase 1: Buiten de gemeenschap

De mens behoort tot de volken.

Hij staat buiten Israël.

Fase 2: De ger-toshav

Hij woont onder Israël.

Hij ontvangt bescherming.

Hij valt onder de burgerlijke orde.

Fase 3: Verbondstoetreding

Hij ontvangt het teken van het Verbond.

Hij wordt gelijkgesteld met de geboren Israëliet in de cultische orde.

Fase 4: Erfdeel

Hij ontvangt een plaats binnen de stammen van Israël.

12. Het centrale principe

De Thora laat zien dat Gods volk niet uitsluitend wordt bepaald door natuurlijke afkomst.

Abraham zelf is hiervan het eerste voorbeeld.

Hij was oorspronkelijk een vreemdeling, maar werd de vader van het Verbond.

Tegelijk bewaakt de Thora de structuur die God heeft ingesteld:

  • stammen;

  • families;

  • erfdelen;

  • Verbond.

Daarom bestaat er zowel openheid als orde.

Samenvattende conclusies.

1.

De ger moet worden begrepen vanuit zijn relatie tot Israël en het Verbond.

2.

De ger-toshav is de inwonende vreemdeling die bescherming geniet maar onderscheiden blijft van de verbondsgemeenschap.

3.

De besnijdenis vormt de overgang naar volledige deelname aan het Verbond.

4.

De besneden ger wordt volgens Exodus 12 behandeld als de geboren Israëliet.

5.

Volledige opname blijkt uiteindelijk uit het ontvangen van erfdeel binnen Israël.

6.

Ezechiël 47 toont de voltooiing van deze ontwikkeling.

Slotconclusie.

De juridische ontwikkeling van de ger binnen de Thora toont een zorgvuldig opgebouwde orde. God beschermt de vreemdeling die onder Israël woont, maar Hij maakt ook onderscheid tussen verblijf, Verbond en erfdeel.

De ger-toshav woont binnen Israël en deelt in de bescherming van Gods recht. De ger die toetreedt tot het verbond ontvangt de verantwoordelijkheid en de rechten van de verbondsgemeenschap. Uiteindelijk laat Ezechiël 47 zien dat God zelfs de vreemdeling die Hij opneemt een plaats kan geven binnen het erfdeel van Israël.

Daarmee wordt zichtbaar dat de Thora tegelijkertijd grenzen en uitnodiging bevat: zij bewaakt de heiligheid van het Verbond, maar opent ook de weg voor hen die zich werkelijk aan de HEER verbinden.

Hoofdstuk 17

De Ger in vergelijking met de Rabbijnse traditie.

Overeenkomsten en verschillen in de uitleg van Ger Toshav en Ger Tsedek

Inleiding.

De vraag naar de positie van de ger heeft binnen de Joodse uitlegtraditie een lange geschiedenis. Ook de rabbijnen hebben onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën vreemdelingen, vooral tussen:

  • ger toshav – de inwonende vreemdeling;

  • ger tsedek – de rechtvaardige vreemdeling die volledig tot het Joodse volk toetreedt.

Deze indeling vertoont belangrijke overeenkomsten met het onderscheid dat uit de Thora zelf naar voren komt. Tegelijk bestaan er verschillen in de manier waarop de categorieën juridisch worden ingevuld.

Deze studie heeft vanuit de tekstuele samenhang van Genesis tot en met Ezechiël onderzocht hoe de positie van de ger zich ontwikkelt:

  • van vreemdeling;

  • naar inwoner binnen Israël;

  • naar verbondslid;

  • naar iemand met erfdeel onder Israël.

1. Overeenkomst: onderscheid tussen verschillende soorten vreemdelingen

De rabbijnse traditie heeft nooit alle niet-Israëlieten als één categorie beschouwd.

Daarin bestaat een belangrijke overeenkomst met de Thora.

Ook de Bijbelse teksten maken onderscheid tussen:

Nochri

De buitenstaander uit de volken.

Hij wordt bijvoorbeeld genoemd in Deuteronomium 14:21:

"Aan de nochri mag u het verkopen."

Ger-toshav

De vreemdeling die zich onder Israël heeft gevestigd.

Hij wordt genoemd in verband met:

  • bescherming;

  • sabbatsrust;

  • sociale bepalingen;

  • economische regelgeving.

Ger tsedek

De vreemdeling die volledig tot het Verbond toetreedt.

2. De rabbijnse betekenis van Ger Tsedek.

Binnen de rabbijnse traditie betekent een ger tsedek iemand die de God van Israël aanneemt en volledig toetreedt tot het Joodse volk.

De klassieke rabbijnse opvatting verbindt dit met:

  • besnijdenis voor mannen;

  • onderdompeling (mikwe);

  • aanvaarding van de geboden.

Daarmee wordt hij niet langer gezien als buitenstaander.

Dit sluit aan bij Exodus 12:

"Hij zal zijn als een ingeborene van het land."

3. Overeenkomst: besnijdenis als grens van deelname.

Een belangrijk punt van overeenkomst is dat zowel de Thora als de rabbijnse traditie de besnijdenis zien als het teken van volledige deelname aan het Verbond.

Genesis 17 vormt hiervoor de basis.

Zonder het verbondsteken kan iemand:

  • binnen Israël wonen;

  • bescherming ontvangen;

maar niet volledig deelnemen aan bepaalde verbondsactiviteiten.

Exodus 12 bevestigt dit met betrekking tot Pesach.

4. Verschil: de juridische status van de Ger Toshav.

Hier ontstaat een belangrijk verschil.

De rabbijnse traditie heeft de ger-toshav vooral juridisch gedefinieerd als een niet-Israëliet die de zeven Noachitische geboden aanvaardt.

Binnen deze uitleg:

  • blijft hij een niet-Jood;

  • wordt hij beschermd;

  • kan hij onder Israël wonen.

De benadering vanuit de samenhang van de Thora zoals in deze studie ontwikkeld, legt sterker de nadruk op de positie binnen het land Israël:

  • hij woont onder Israël;

  • hij valt onder Israëls burgerlijke rechtsorde;

  • hij ontvangt bescherming die verder gaat dan een gewone buitenlander.

5. Leviticus 25 en economische bescherming.

Een belangrijk verschilpunt betreft de economische positie.

Leviticus 25:35-37 zegt:

"Wanneer uw broeder verarmt... ondersteun hem, zowel de ger als de toshav..."

Daarna:

"Neem geen rente of winst van hem."

De tekst plaatst de ger-toshav binnen de beschermende economische orde van Israël.

Daaruit blijkt dat hij niet eenvoudig gelijkgesteld kan worden aan de nochri.

De rabbijnse traditie erkent eveneens dat de ger-toshav een bijzondere beschermde status heeft, maar formuleert deze meer als een aparte juridische categorie naast Israël.

6. De nochri en de Ger Toshav.

Een belangrijk punt van overeenstemming is dat de nochri niet hetzelfde is als de ger-toshav.

De Thora maakt onderscheid:

Categorie, Positie, Nochri, Buitenlandse persoon, Ger-toshav, Inwonende vreemdeling binnen Israël. Ger tsedek volledig toegetreden tot het Verbond.

De rabbijnse traditie heeft dit onderscheid eveneens behouden.

7. Het verschil rondom erfdeel.

Een belangrijk verschil betreft de vraag of de ger oorspronkelijk een erfdeel kan ontvangen.

De rabbijnse traditie heeft meestal sterk vastgehouden aan het onderscheid tussen:

  • geboren Israëliet;

  • ger tsedek.

Het ontvangen van stam-erfdeel wordt doorgaans verbonden aan bijzondere omstandigheden.

Ezechiël 47 vormt hierbij echter een opvallende tekst:

"U zult hem zijn erfdeel geven onder de stammen van Israël."

Deze profetische tekst lijkt een toekomstige opname van de ger binnen de stamstructuur te beschrijven.

8. Het vaderschap en identiteit.

De Thora verbindt de stammen van Israël met de zonen van Jakob.

De genealogieën worden voornamelijk via de vaderlijke lijn weergegeven.

Daarom speelt vaderlijke afkomst een belangrijke rol bij:

  • stamidentiteit;

  • erfdeel;

  • familieverband.

De opname van de ger binnen Israël betekent daarom niet alleen religieuze verbondenheid, maar raakt ook de structuur van familie en land.

9. Ruth als voorbeeld.

Ruth vormt een belangrijk voorbeeld binnen zowel de Bijbelse als rabbijnse uitleg.

Zij zegt:

"Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God."

Haar overgang bestaat uit:

  • verlaten van haar oude volk;

  • verbinden met Israël;

  • aanbidden van de HEER.

Daarna wordt zij opgenomen in de geschiedenis van Israël.

Dit toont dat afkomst alleen niet het laatste woord heeft wanneer iemand zich werkelijk verbindt aan de God van Israël.

10. Het centrale verschil tussen beide benaderingen.

Het belangrijkste verschil kan als volgt worden samengevat:

Rabbijnse benadering

Legt sterk de nadruk op:

  • juridische categorieën;

  • formele toetredingsvoorwaarden;

  • onderscheid tussen Jood en niet-Jood.

Tekstuele benadering vanuit de Thora

Legt sterker de nadruk op:

  • de ontwikkeling door de Schrift heen;

  • verblijf;

  • bescherming;

  • Verbond;

  • uiteindelijke opname.

Beide erkennen echter dat er een overgang bestaat tussen vreemdeling en volledig lid van Israël.

Samenvattende conclusies.

1.

De rabbijnse traditie maakt, evenals de Thora, onderscheid tussen verschillende categorieën vreemdelingen.

2.

De ger-toshav is niet gelijk aan de nochri.

3.

De besnijdenis vormt in de Thora de grens voor volledige deelname aan het Verbond.

4.

Leviticus 25 toont dat de ger-toshav binnen de beschermde economische orde van Israël staat.

5.

De rabbijnse traditie benadrukt vooral de juridische status van de ger-toshav als inwonende niet-Israëliet.

6.

De teksten zoals Ezechiël 47 openen een perspectief waarin de ger uiteindelijk een erfdeel onder Israël ontvangt.

Slotconclusie.

De vergelijking tussen de Thora en de rabbijnse traditie laat zien dat beide erkennen dat de ger geen eenvoudige categorie is. Er bestaat een onderscheid tussen de buitenstaander, de inwonende vreemdeling en degene die volledig tot het Verbond toetreedt.

Het belangrijkste verschil ligt in de interpretatie van de juridische positie van de ger-toshav. De rabbijnse traditie benadrukt vooral zijn status als beschermde vreemdeling buiten de volledige gemeenschap. De tekstuele lijn van deze studie benadrukt dat de ger-toshav binnen Israël reeds deelneemt aan een bijzondere rechtsorde die hem dichter bij Israël plaatst dan de nochri.

Daarmee blijft de centrale vraag staan: op welk moment wordt de vreemdeling niet alleen inwoner van Israël, maar ontvangt hij ook de volledige plaats binnen Gods Verbond en erfdeel?

Hoofdstuk 18

De Ger, het Verbond en de Tempeldienst. 

Het onderscheid tussen de Ger Toshav en de toegetreden Ger in de dienst aan de HEER

Inleiding.

De vraag naar de positie van de ger binnen Israël komt tot een hoogtepunt bij de Tempeldienst. De Tempel was het centrum van het Verbond en de plaats waar Israël tot God naderde door gebed, offers en heilige dienst.

Daarom is het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen verschillende categorieën vreemdelingen die in de Thora voorkomen.

De Schrift kent geen algemene categorie waarin iedere vreemdeling dezelfde positie heeft. Er is onderscheid tussen:

  • de nochri: de vreemdeling die buiten Israël staat;

  • de ger-toshav: de inwonende vreemdeling die onder Israël woont;

  • de ger die toetreedt tot het Verbond: de vreemdeling die de HEER aanneemt, het verbondsteken ontvangt en als ingeborene wordt behandeld.

De toegang tot de Tempeldienst hangt niet slechts af van verblijf in het land, maar van de relatie met het Verbond.

1. De Tempel en het Verbond.

De offerdienst in Israël was verbonden met het Verbond dat God met Israël had gesloten.

Offers waren geen gewone religieuze handelingen, maar uitingen van:

  • verzoening;

  • aanbidding;

  • dankzegging;

  • gemeenschap met God.

Daarom bepaalde de Thora wie mocht naderen en onder welke voorwaarden.

De persoon die tot God naderde moest:

  • ritueel rein zijn;

  • onder de verbondsorde vallen;

  • handelen volgens Gods inzettingen.

2. Exodus 12: de grens van Pesach.

Een van de duidelijkste teksten is Exodus 12.

Daar wordt gesproken over de vreemdeling die Pesach wil vieren:

"Wanneer een vreemdeling bij u verblijft en Pesach voor de HEER wil vieren, laat dan eerst al zijn mannen besneden worden."

(Exodus 12:48)

Pas daarna volgt:

"Dan zal hij zijn als een ingeborene van het land."

Hier wordt een duidelijke overgang beschreven.

De vreemdeling die slechts inwoner is, heeft niet automatisch dezelfde positie als iemand die het teken van het Verbond draagt.

Maar wanneer hij het Verbond binnentreedt, wordt hij niet langer behandeld als een buitenstaander.

3. De Ger Toshav en de offerdienst.

De ger-toshav heeft binnen Israël een bijzondere positie.

Hij is niet gelijk aan de nochri.

Hij:

  • woont binnen Israël;

  • geniet bescherming;

  • valt onder bepaalde sociale en juridische bepalingen.

Leviticus 25 laat bijvoorbeeld zien dat de ger en de toshav worden opgenomen binnen de beschermende economische orde van Israël.

Maar de ger-toshav is niet automatisch een deelnemer aan de offerdienst.

De offerdienst behoort tot de verbondsrelatie met God.

Daarom blijft er een onderscheid tussen:

  • wonen onder Israël;

  • behoren tot het Verbond.

4. De toegetreden Ger en het Verbond.

De vreemdeling die toetreedt tot het Verbond ontvangt een andere positie.

Exodus 12 noemt hem:

"als een ingeborene van het land."

Dit betekent dat de toetredende ger niet slechts een beschermde inwoner blijft.

Hij ontvangt:

  • de verplichtingen van het Verbond;

  • de verantwoordelijkheid van Gods wet;

  • de mogelijkheid om deel te nemen aan de verbondsdienst.

Numeri 15:15 zegt:

"Eén inzetting zal er zijn voor u en voor de vreemdeling die bij u verblijft."

De tekst benadrukt de eenheid van de heilige orde.

5. Jesaja 56: de vreemdeling die zich bij de HEER voegt.

Jesaja 56 spreekt over een specifieke groep vreemdelingen.

Niet iedere inwonende vreemdeling wordt hier bedoeld.

De tekst zegt:

"De vreemdelingen die zich bij de HEER voegen om Hem te dienen, om de Naam van de HEER lief te hebben en om Hem tot dienaren te zijn, allen die de sabbat onderhouden en vasthouden aan Mijn Verbond."

(Jesaja 56:6)

De kenmerken zijn:

  • zij voegen zich bij de HEER;

  • zij houden Zijn Verbond vast;

  • zij dienen Hem.

Dit beschrijft niet de ger-toshav als gewone inwonende vreemdeling, maar de vreemdeling die de weg van verbondstoetreding is gegaan.

6. Jesaja 56 en toegang tot het altaar.

God zegt over deze vreemdelingen:

"Ik zal hen brengen naar Mijn heilige berg en hen vreugde geven in Mijn huis van gebed; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar."

(Jesaja 56:7)

Deze tekst is van groot belang.

De vreemdeling ontvangt niet alleen toestemming om te bidden, maar wordt verbonden met:

  • Gods huis;

  • het altaar;

  • offers.

Dit bevestigt dat het hier gaat om iemand die binnen de verbondsorde staat.

7. De rabbijnse uitleg van Jesaja 56.

De rabbijnse traditie maakt eveneens onderscheid tussen de ger-toshav en de ger-tsedek.

Daarbij wordt Jesaja 56 doorgaans verbonden met de ger-tsedek:

  • iemand die volledig toetreedt;

  • de geboden aanvaardt;

  • deel wordt van Israël.

De overeenkomst is dus dat ook de rabbijnse traditie erkent dat niet iedere vreemdeling dezelfde positie heeft.

Het verschil ligt vooral in de verdere consequenties van deze toetreding.

8. Verschil: volledige opname of blijvend onderscheid.

De rabbijnse traditie heeft vaak bepaalde juridische onderscheidingen behouden tussen:

  • geboren Israëliet;

  • ger-tsedek.

Dit komt vooral naar voren bij discussies over:

  • afkomst;

  • publieke functies;

  • bepaalde genealogische kwesties.

De tekstuele lijn vanuit de Tenach benadrukt echter teksten waarin de toegetreden vreemdeling zeer vergaand wordt opgenomen:

  • Exodus 12:48 — als een ingeborene;

  • Numeri 15:15 — één wet;

  • Ezechiël 47 — erfdeel onder de stammen van Israël.

9. Kaleb als voorbeeld van opname.

Kaleb, de zoon van Jefunne, is een belangrijk voorbeeld.

Hij wordt:

"de Kenizziet"

genoemd.

Toch wordt hij:

  • verbonden met Juda;

  • vertegenwoordiger van Israël;

  • ontvanger van erfdeel.

Jozua 14:14 zegt:

"Omdat hij de HEER, de God van Israël, volkomen gevolgd heeft."

Zijn oorspronkelijke afkomst verhindert niet dat hij volledig deelneemt aan de structuur van Israël.

Samenvattende conclusie.

De Tempeldienst bevestigt het onderscheid tussen verblijf in Israël en toetreding tot het Verbond.

De ger-toshav is een beschermde inwoner binnen Israël, maar niet automatisch een deelnemer aan de offerdienst.

De vreemdeling die zich echter bij de HEER voegt, Zijn Verbond aangaat en het verbondsteken ontvangt, wordt volgens Exodus 12 behandeld als een ingeborene.

Jesaja 56 spreekt over deze categorie: niet over de gewone inwonende vreemdeling, maar over de vreemdeling die zich daadwerkelijk aan de HEER en Zijn Verbond verbindt.

Het verschil met de rabbijnse traditie ligt niet in het erkennen van verschillende categorieën, maar vooral in de vraag hoe ver de opname van de toegetreden ger reikt binnen de structuur van Israël.