De Ger (גר) in de Thora

Een exegetische en juridische woordstudie

Inleiding

Weinig woorden in de Thora hebben zoveel invloed gehad op de uitleg van het verbondsrecht als het Hebreeuwse woord גר (ger). Vrijwel iedere Bijbelvertaling vertaalt dit woord met "vreemdeling", "bijwoner", "ingezetene" of "gast". Daardoor ontstaat gemakkelijk de indruk dat het steeds om dezelfde juridische persoon gaat.

Bij nauwkeurige bestudering blijkt echter dat de Thora het woord ger gebruikt in uiteenlopende juridische contexten. Soms wordt de ger vrijwel volledig gelijkgesteld aan de geboren Israëliet, terwijl hij elders een duidelijk onderscheiden rechtspositie lijkt te hebben.

De centrale vraag van dit hoofdstuk luidt daarom: 

Duidt het woord ger in de gehele Thora steeds dezelfde juridische status aan, of wordt de rechtspositie bepaald door de context waarin het woord voorkomt?

Deze studie kiest bewust voor een inductieve methode. Dat betekent dat niet wordt uitgegaan van latere rabbijnse definities of moderne theologische systemen, maar uitsluitend van de gegevens van de geschreven Thora. Pas nadat alle relevante teksten zijn onderzocht, zal worden bezien in hoeverre de latere rabbijnse terminologie (ger toshav, ger tsedek) met deze gegevens overeenkomt.

1. Het woord ger

Het zelfstandig naamwoord גר (ger) is afgeleid van de Hebreeuwse wortel גור (gur).

Het werkwoord gur betekent:

  • verblijven;
  • als vreemdeling wonen;
  • zich tijdelijk of blijvend vestigen buiten het eigen land.

Het beschrijft iemand die zich bevindt onder een volk waartoe hij oorspronkelijk niet behoort.

Daarmee zegt het woord op zichzelf nog niets over:

  • zijn religieuze status;
  • zijn burgerrechten;
  • zijn verbondsstatus.

Het beschrijft in de eerste plaats zijn verblijfspositie.

Dit is een belangrijk uitgangspunt. Het woord ger is in zijn basale betekenis geen technische aanduiding van een vaste juridische categorie, maar een beschrijving van iemands positie als inwonende vreemdeling.

2. De eerste vermelding van de Ger

De eerste keer dat de wortel gur voorkomt, is in Genesis.

Abraham zegt:

"Ik ben een vreemdeling (ger) en bijwoner onder u." (Genesis 23:4)

Hier bezit Abraham reeds Gods beloften.

Hij is reeds besneden.

Hij leeft reeds in het verbond.

Toch noemt hij zichzelf een ger.

Dat laat zien dat het woord niet automatisch iets zegt over iemands verbondsstatus.

Abraham is immers juist de drager van het verbond.

Het woord beschrijft hier uitsluitend zijn maatschappelijke positie ten opzichte van de Hethieten.

Hieruit volgt een eerste belangrijke conclusie.

Conclusie 1

Het woord ger betekent oorspronkelijk:

een persoon die woont onder een volk waartoe hij oorspronkelijk niet behoort.

Nog niets meer.

Nog niets minder.

3. Israël zelf was Ger

God gebruikt hetzelfde woord voor Israël.

Exodus 22:21 zegt:

"U mag een ger niet onderdrukken, want u bent zelf ger geweest in Egypte."

Ook hier valt iets op.

Israël was in Egypte:

  • geen Egyptisch volk;
  • geen Egyptische burgers;
  • wel permanente bewoners.

Ook hier beschrijft ger de maatschappelijke positie.

Niet de religieuze.

4. De Ger in de wetgeving

Wanneer de Thora haar burgerlijk recht begint te formuleren, verschijnt de ger opnieuw.

De wet bepaalt onder andere dat hij:

  • niet mag worden onderdrukt;
  • eerlijk recht moet ontvangen;
  • in de nalezing mag delen;
  • op de sabbat moet rusten.

Dit roept onmiddellijk een belangrijke vraag op.

Waarom worden deze rechten afzonderlijk genoemd?

Kennelijk bezit de ger niet automatisch dezelfde positie als de geboren Israëliet.

Anders zouden afzonderlijke beschermingswetten overbodig zijn.

5. Exodus 12: het beslissende keerpunt

Exodus 12 vormt het eerste grote juridische omslagpunt.

De Schrift bepaalt:

"Wanneer een ger bij u verblijft en het Pesach voor de HEERE wil vieren, moet al wat mannelijk is bij hem besneden worden."

Daarna volgt onmiddellijk:

"Dan zal hij zijn als een geboren Israëliet."

En vervolgens:

"Eén wet zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de ger."

Deze drie uitspraken vormen samen één juridische eenheid.

Zij leren:

  1. Niet iedere ger mag vanzelf Pesach vieren.
  2. Besnijdenis is een noodzakelijke voorwaarde.
  3. Daarna verandert zijn rechtspositie.
  4. Vanaf dat moment geldt hij als een geboren Israëliet.

Opvallend is dat de Schrift hier niet zegt dat de ger ophoudt een ger te zijn. De tekst blijft hem ger noemen, terwijl zijn rechtspositie is veranderd. Dat gegeven is van groot belang voor de verdere studie, omdat het laat zien dat dezelfde term in verschillende contexten kan voorkomen terwijl de daaraan verbonden rechten verschillen.

6. Een eerste juridische observatie

Wanneer Exodus 12 zorgvuldig wordt gelezen, ontstaat een belangrijk onderscheid.

Er bestaat:

  • een ger vóór de besnijdenis;
  • een ger ná de besnijdenis.

Dat onderscheid wordt niet benoemd met twee verschillende woorden.

Het blijkt uit de rechtsgevolgen.

Vóór de besnijdenis:

  • geen Pesach.

Na de besnijdenis:

  • als een geboren Israëliet.

Dit vormt de eerste aanwijzing dat het woord ger contextafhankelijk moet worden uitgelegd.

7. Methodologische uitgangspunten.

Voor het vervolg van deze studie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

1. De context bepaalt de juridische betekenis.

Hetzelfde woord kan verschillende rechtsgevolgen hebben.

2. Expliciete teksten hebben voorrang boven afgeleide conclusies.

Wanneer de Thora uitdrukkelijk een rechtsgevolg noemt, vormt dat het uitgangspunt.

3. De Thora legt de Thora uit.

Parallellen tussen Exodus, Leviticus en Numeri. 

4. Latere tradities worden pas daarna vergeleken.

De rabbijnse terminologie wordt niet als uitgangspunt genomen, maar pas beoordeeld nadat de gegevens van de geschreven Thora zijn verzameld.

Tussenconclusie

De eerste gegevens uit de Thora laten zien dat het woord גר (ger) in de eerste plaats een verblijfsstatus beschrijft: iemand die woont onder een volk waartoe hij oorspronkelijk niet behoort. Op zichzelf zegt het woord niets over de vraag of deze persoon volledig deel uitmaakt van het verbond.

Exodus 12 voegt daaraan een beslissende juridische dimensie toe. De ger die door besnijdenis tot het verbond toetreedt en het Pesach viert, wordt "als een geboren Israëliet" beschouwd. Daarmee maakt de tekst duidelijk dat aan dezelfde term ger verschillende rechtsgevolgen verbonden kunnen zijn, afhankelijk van de fase waarin deze persoon zich bevindt.

Deze observatie vormt het uitgangspunt voor de volgende hoofdstukken. Daar zal worden onderzocht of andere bepalingen van de Thora – met name Leviticus 17, Leviticus 25 en Deuteronomium 14 – deze tweedeling bevestigen of dat een andere verklaring noodzakelijk is.