De oogst, de eerstelingen, de tweede tiende en de drie pelgrimsfeesten in de Thora

Inleiding

De wetten van de Thora met betrekking tot de oogst, de eerstelingen, de tienden en de drie pelgrimsfeesten vormen geen losstaande voorschriften, maar één samenhangend geheel. De landbouwcyclus van Israël werd volledig geheiligd. Iedere oogst begon met de erkenning dat het land en zijn opbrengst aan YHWH toebehoorden, waarna het volk zich gedurende het jaar verheugde voor Zijn aangezicht tijdens de door Hem ingestelde feesten.

Wanneer de verschillende voorschriften uit Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium naast elkaar worden gelegd, ontstaat een duidelijk patroon waarin de eerstelingen, de tweede tiende en de pelgrimsfeesten elkaar aanvullen.


1. De drie pelgrimsfeesten

De Thora gebiedt dat alle mannelijke Israëlieten driemaal per jaar voor het aangezicht van YHWH verschijnen:

  • Pesach en het Feest van de Ongezuurde Broden;

  • het Wekenfeest (Sjavoeot);

  • het Loofhuttenfeest (Soekkot).

"Drie maal per jaar zal al wat mannelijk onder u is verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij verkiezen zal." (Deuteronomium 16:16)

Deze feesten waren niet alleen historische gedenkdagen, maar tevens verbonden met de opeenvolgende fasen van het landbouwjaar.


2. De landbouwcyclus van Israël

De Thora noemt zeven vruchten waarmee het land Kanaän gezegend was (Deuteronomium 8:8):

  • gerst;

  • tarwe;

  • druiven;

  • vijgen;

  • granaatappels;

  • olijven;

  • dadels (honing).

Deze rijpten verspreid over het jaar.

SeizoenBelangrijkste oogst.

Vroege voorjaar: Gerst

Late voorjaar: Tarwe

Zomer: Druiven

Zomer: Vijgen

Late zomer: Granaatappels

Najaar: Olijven

Najaar: Dadels

Zo werd vrijwel het gehele landbouwjaar door de opeenvolgende oogsten bepaald.


3. De eerstelingen behoren aan YHWH

Van iedere eerste opbrengst moest Israël de eerstelingen aan YHWH brengen.

Deze werden aan de priesters gegeven als een heilige gave.

De eerstelingen waren geen belasting, maar een erkenning dat de gehele oogst uiteindelijk Gods eigendom was.

De aanbidder beleed daarmee dat YHWH de Gever van het land en van alle vruchtbaarheid was.


4. De eerstelingsgarve van de gerst

De eerste oogst van het jaar was de gerst.

Tijdens het Feest van de Ongezuurde Broden moest een eerstelingsgarve (de omer) naar de priester worden gebracht (Leviticus 23:9-14).

De priester bewoog deze voor het aangezicht van YHWH.

Totdat deze ceremonie had plaatsgevonden, mocht niemand van de nieuwe gerstoogst eten.

Men leefde dus nog van de opgeslagen voorraad van het voorgaande jaar.

Pas nadat de eerstelingsgarve was aangeboden, werd de nieuwe gerst voor consumptie vrijgegeven.


5. De eerstelingen van de tarwe op het Wekenfeest

Ongeveer zeven weken later volgde de tarweoogst.

Tijdens het Wekenfeest werden twee broden van de nieuwe tarwe als beweegoffer aangeboden (Leviticus 23:15-21).

Hiermee werd ook de tarweoogst aan YHWH gewijd.

Tot dat moment zal men in de praktijk grotendeels nog gebruik hebben gemaakt van de voorraad van het vorige jaar, terwijl men op het feest zelf reeds de eerste tarwe van de nieuwe oogst aan God opdroeg.

Na de aanbieding van de eerstelingen kon de nieuwe tarwe vrij worden gebruikt.


6. De overige eerstelingen

Na de tarwe volgden de overige vruchten.

Van de eerste rijpe:

  • druiven;

  • vijgen;

  • granaatappels;

  • olijven;

  • dadels;

werden eveneens eerstelingen naar het heiligdom gebracht (Deuteronomium 26:1-11).

Deze werden niet door de aanbidder gegeten, maar aan de priesters gegeven.

Zo werd iedere nieuwe oogst eerst aan God toegewijd voordat het volk er zelf volledig van genoot.


7. De tweede tiende

Naast de eerstelingen kende de Thora de jaarlijkse tweede tiende (Deuteronomium 14:22-27).

Deze had een geheel andere bestemming.

De tweede tiende bleef eigendom van de Israëliet.

Hij moest daarvan eten:

  • voor het aangezicht van YHWH;

  • samen met zijn gezin;

  • samen met de Leviet.

Wanneer de afstand naar het heiligdom te groot was, mocht de opbrengst worden verkocht, het geld worden meegenomen en in Jeruzalem worden besteed aan voedsel en drank voor de feestmaaltijden.


8. Werd de tweede tiende over de drie feesten verdeeld?

De Thora zegt nergens letterlijk:

"Verdeel de tweede tiende over de drie pelgrimsfeesten."

Toch lijkt dit de meest natuurlijke toepassing van de wet.

De tweede tiende moest immers worden gegeten:

  • voor het aangezicht van YHWH;

  • op de plaats die Hij verkoos.

De drie pelgrimsfeesten waren juist de vaste momenten waarop geheel Israël verplicht naar het heiligdom kwam.

Daarom ligt het voor de hand dat gedurende het jaar afgezonderde tweede tiende tijdens deze drie reizen werd gebruikt.

De wet schrijft geen exacte verdeling voor, maar de pelgrimsfeesten vormden de aangewezen gelegenheden om deze heilige maaltijden te houden.


9. Opslag van de oogst

De landbouwproducten konden uitstekend worden opgeslagen.

Graan, wijn, olie, vijgen en dadels werden gedurende lange tijd bewaard.

Dat verklaart waarom men tijdens de pelgrimsfeesten zowel kon leven van eerder opgeslagen opbrengsten als nieuwe eerstelingen kon aanbieden zodra deze beschikbaar waren.

Een Israëlitisch gezin kon daardoor:

  • van de oude voorraad eten;

  • tegelijkertijd de nieuwe eerstelingen aan God aanbieden;

  • vervolgens de nieuwe oogst in gebruik nemen.

Dit weerspiegelt het fundamentele beginsel dat God altijd de eerste plaats ontvangt.


10. De plaats van Loofhuttenfeest

Het Loofhuttenfeest neemt een bijzondere plaats in.

Deuteronomium 16:13 verbindt dit feest uitdrukkelijk met de voltooiing van de inzameling:

"Wanneer gij de opbrengst van uw dorsvloer en uw perskuip hebt ingezameld."

Aan het einde van het landbouwjaar waren vrijwel alle zeven vruchten geoogst.

Daarom werd Loofhuttenfeest het grote oogstfeest van Israël.

Het was het moment waarop Gods overvloedige zegen zichtbaar werd gevierd.


11. De samenhang van het geheel

Wanneer alle bepalingen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende patroon.

Gebeurtenis.

Bestemming.

Eerste gerst: Eerstelingsgarve voor YHWH.

Nieuwe gerst: Daarna vrij voor consumptie.

Eerste tarwe: Twee beweegbroden voor YHWH.

Nieuwe tarwe: Daarna vrij voor consumptie.

Overige eerste vruchten: Eerstelingen voor de priesters.

Jaarlijkse tweede tiende: Door de gezinnen gegeten voor het aangezicht van YHWH tijdens de pelgrimsreizen.

Derde jaarTweede tiende bestemd voor Levieten, vreemdelingen, wezen en weduwen.


12. De geestelijke betekenis

De landbouwwetten openbaren een diep geestelijk beginsel.

Alles begint bij God.

De eerste vruchten behoren Hem toe.

Daarna ontvangt Zijn volk uit Zijn hand de overvloed van het land.

De drie pelgrimsfeesten vormen daarom meer dan nationale bijeenkomsten. Zij zijn momenten waarop Israël erkent dat:

  • het land Gods eigendom is;

  • de oogst Gods gave is;

  • de eerstelingen Hem toekomen;

  • de gemeenschap met Hem vreugdevol wordt gevierd door heilige maaltijden voor Zijn aangezicht.

Zo wordt het gehele landbouwjaar geheiligd. Het begint met de eerstelingsgarve van de gerst, wordt voortgezet met de eerstelingen van de tarwe en de overige vruchten, en mondt uit in de vreugde van de pelgrimsfeesten, waarin het volk voor het aangezicht van YHWH eet, dankt en zich verheugt over Zijn zegeningen.